De verdachte werd door het hof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 105 dagen gevangenisstraf wegens medeplegen van het bedrijfsmatig te koop aanbieden, afleveren en in voorraad hebben van merkvervalste goederen. Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmiddelen waaronder WhatsApp-berichten, observatiebeelden en aanhoudingen.
In cassatie werden drie middelen voorgesteld: onjuiste beëdiging van raadsheren, onjuiste kwalificatie van het bewezenverklaarde als meermalen gepleegd en overschrijding van de redelijke termijn voor het inzenden van stukken. Het eerste middel faalde, het tweede middel werd gegrond verklaard maar leidde niet tot verwijzing omdat de Hoge Raad de kwalificatie zelf kon verbeteren, en het derde middel slaagde wegens overschrijding van de termijn met ruim twee maanden.
De Hoge Raad oordeelde dat de toevoeging 'meermalen gepleegd' onterecht was omdat het bedrijfsmatig handelen reeds meermalen handelen impliceert. De strafvermindering werd toegepast vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De straf werd verminderd tot 105 dagen gevangenisstraf, lager dan het oorspronkelijke vonnis, zonder verdere gevolgen voor de strafoplegging.
De zaak benadrukt het belang van correcte kwalificaties en het respecteren van redelijke termijnen in strafprocedures, waarbij de economische schade door merkvervalsing en recidive van de verdachte ook werden meegewogen.