ECLI:NL:HR:2014:1548

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
26 juni 2014
Zaaknummer
14/01871
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in WSNP-tussentijdse beëindiging

In deze zaak betrof het een verzoekster die in cassatie ging tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het hof.

De Procureur-Generaal stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de verzoekster onvoldoende belang had of de klachten niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

Op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en na het horen van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Drion en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans op slagen.

Uitspraak

27 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01871
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. S.F. Deen.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer C13/12/639-R van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2012 en 29 januari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.141.474/01 van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 juni 2014.