Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van het lozen van een grote hoeveelheid schadelijke stof, te weten pesticide, in de Nederlandse territoriale zee in 2003. Het hof sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde misdrijf maar veroordeelde hem voor een overtreding op grond van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.
De Hoge Raad oordeelt dat de verjaringstermijn van tien jaren op de strafvordering is verstreken voor het onder 2 primair tenlastegelegde feit. Hierdoor is het recht tot strafvordering vervallen en is de vervolging niet-ontvankelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op deze overtreding en wijst de zaak terug voor verdere berechting van de subsidiaire tenlasteleggingen.
De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking omdat de Hoge Raad geen andere gronden tot vernietiging ziet. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en de zaak wordt terugverwezen naar het hof met het oog op verdere behandeling van de subsidiaire feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de OvJ niet-ontvankelijk wegens verjaring en wijst de zaak terug naar het hof.