Conclusie
eersteen
tweede middelklagen dat ter zake van de feiten 4 primair en 5 primair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is komen te vervallen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Stb.2005, 595 (i.w.tr. 1 januari 2006) beloopt de verjaringstermijn in een dergelijk geval op grond van artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2, Sr in verbinding met artikel 72, tweede lid, Sr ten hoogste twee maal zes jaren (twaalf jaren). Nu de onderhavige misdrijven volgens de bewezenverklaring zijn begaan in de periode van 1 december 2000 tot en met 16 augustus 2001, is sprake van een geval waarin de feiten zijn gepleegd vóór inwerkingtreding van voornoemde wet en de absolute termijn van verjaring daarvoor is aangevangen. De vraag of artikel 72, tweede lid, Sr in een dergelijk geval mag worden toegepast, is door de wetgever niet onder ogen gezien. [7] Evenwel verzet noch de overgangsregeling noch de tekst van de wet of de wetsgeschiedenis zich hiertegen. [8] Het uitgangspunt van de Hoge Raad is dat een verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring – waaronder de regeling van artikel 72 Sr Pro valt – direct van toepassing is. [9] Dat de toepassing van artikel 72, tweede lid, Sr op een geval als het onderhavige mogelijk is en niet altijd nadelig voor de verdachte hoeft uit te pakken, volgt reeds uit HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535. [10]
derde middeldat klaagt dat het Hof in strijd met artikel 341, eerste lid, Sv een verklaring voor het bewijs heeft gebezigd die een ontoelaatbare conclusie en/of gissing inhoudt, is kansloos. De in de toelichting op het middel genoemde zinsnede behelst een opgave van hetgeen door verdachte zelf is gezien (dat de haar getoonde salarisstroken niet juist zijn), zijnde een waarneming die voldoet aan het ‘eigen wetenschap’-criterium dat in artikel 341 Sv Pro is verwoord. [12] Mede gelet op de overige passages van de verklaring alsmede de context waarin deze moeten worden geplaatst, moet bovendien de mededeling dat zij zich niet herinnert ƒ 5.000 verdiend te hebben worden begrepen als de opgave van een ‘negatief feit’. [13]
vierde middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastelegde in strijd met artikel 341, vierde lid, Sv uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van verdachte. Het
vijfde middelklaagt dat in verband met het onder 2 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de voor de aanvraag van een hypotheek gebruikte werkgeversverklaring valselijk is opgemaakt. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
- een werkgeversverklaring van [A] Ltd. d.d. 17 april 2000 en
- loonopgaven van [A] Ltd. betreffende verdachte over de maanden maart 2000 en mei 2000
zesde middelricht zich tegen de kwalificatiebeslissing van hetgeen onder 2 ten laste van de verdachte bewezen is verklaard.
zevende middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.