Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
28 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens handelen in strijd met art. 197 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad stelde vast dat het hof niet had onderzocht of de stappen van de terugkeerrichtlijn waren doorlopen, terwijl dit vereist is bij het opleggen van een gevangenisstraf in dergelijke zaken.
De Hoge Raad verwees naar eerdere arresten waarin werd benadrukt dat de rechter moet nagaan en motiveren dat de terugkeerprocedure is gevolgd. Omdat de cassatieschriftuur vóór 21 mei 2013 was ingediend, onderzocht de Hoge Raad ambtshalve deze naleving.
Gelet op het ontbreken van bewijs dat de terugkeerprocedure was doorlopen, vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting van de strafoplegging. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De strafoplegging is ambtshalve vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.