Uitspraak
fiscale eenheid [X1] B.V. en [X2] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 5 juli 2012, nr. 11/00918, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag wie de omzetbelasting verschuldigd is bij herziening van aftrek van omzetbelasting over een onroerende zaak die gedurende het boekjaar werd overgenomen. Een vennootschap had op 12 december 2007 een gebouw verkregen als onderdeel van een algemeenheid van goederen en diensten, waardoor de overdracht niet als levering werd beschouwd voor de omzetbelasting.
De overdrager had het gebouw in 2003 geleverd gekregen en de omzetbelasting destijds volledig in aftrek gebracht. Vanaf 1 januari 2007 werd een deel van het gebouw vrijgesteld verhuurd. Bij de aangifte over het laatste kwartaal 2007 betaalde de overnemer een bedrag aan omzetbelasting wegens herziening, maar stelde dat hij slechts aansprakelijk was voor het deel vanaf de overdrachtdatum.
De Inspecteur stelde dat de overnemer op grond van artikel 13, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking het gehele bedrag van de herzieningsomzetbelasting over 2007 moest voldoen. Zowel Rechtbank als Hof bevestigden dit standpunt. De Hoge Raad volgde dit oordeel en verwierp het verweer dat de herzieningsaansprakelijkheid slechts zou ontstaan vanaf de overdrachtdatum.
De Hoge Raad benadrukte dat de overnemer in de plaats treedt van de overdrager voor de belasting die na de overdracht ontstaat, maar niet voor reeds ontstane belastingschulden. De wettelijke regeling schrijft voor dat de herziening van omzetbelasting over een boekjaar in één keer aan het einde van het jaar verschuldigd wordt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard; de overnemer is het volledige bedrag van de herzieningsomzetbelasting over het gehele boekjaar verschuldigd.