Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
[A]in [Q] verkregen, indirect van een beleggingsfonds beheerd door de Stichting [C] (hierna: [C]). Zij heeft ter zake van die verkrijging overdrachtsbelasting voldaan. De belanghebbende is ter zake van de door haar gekochte erfpacht- en opstalrechten een jaarlijkse canon en een retributie verschuldigd.
unitbepaald moet worden en welke de betekenis daarbij is van de correspondentie tussen [C] en de inspecteur, en (ii) of de gekapitaliseerde waarde van de canon en de retributie terecht in de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting is begrepen.
units, waardoor niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting ex art. 15(1)(a) Wet Belastingen van Rechtsverkeer 1970 (Wet BvR) die cumulatie met de omzetbelasting moet voorkomen, en ad (ii) dat de gekapitaliseerde waarde van de canon en retributie tot de heffingsgrondslag behoort.
unitsontworpen en bestemd zijn om als zelfstandige gedeelten van de onroerende zaken te worden gebruikt, zodat de samenloopvrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BvR kan worden toegepast; en (iii) dat het Hof ten onrechte onvoldoende aannemelijk heeft geacht dat de tegenprestatie vermeerderd met de gekapitaliseerde waarde van de erfpachtcanon en de opstalretributie hoger is dan de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken.
alstussen de inspecteur en [C] een vaststellingsovereenkomst is gesloten, civielrechtelijk de rechten en verplichtingen daaruit niet overgegaan zijn op de belanghebbende. Ik meen dat zonder duidelijke aanwijzingen in de relevante Btw-Richtlijn of de Nederlandse implementatiewetgeving of wetsgeschiedenis de uitsluitend Btw-technische indeplaatsstelling ex art. 37d Wet OB niet kan bewerkstelligen dat een overnemer in duidelijke afwijking van het burgerlijke recht gebonden wordt aan een overeenkomst waarbij hij geen partij was en waaraan hij ook overigens part noch deel – noch boodschap - heeft. De Btw-technische indeplaatsstelling is weliswaar met name bedoeld voor de waarborging van de aftrekherzieningsregels, maar het geschil gaat in de eerste plaats om de objectafbakening en op dat punt valt niet in te zien waarom de overnemer gebonden zou zijn aan de hem vreemde opvattingen van de overdrager of die van de fiscus.
BNB1992/133 en HR BNB 2001/10 volgt dat een standpuntbepaling van de fiscus de belastingplichtige ter beschikking staat; hij is er niet aan gebonden, tenzij hij uitdrukkelijk heeft afgezien van rechtsmiddelen. De belastingplichtige kan tot in hoger beroep terugkomen op een eerder ingenomen standpunt, ongeacht of de fiscus zich akkoord heeft verklaard. In casu heeft [C] geen afstand gedaan van bezwaar- en beroepsrechten. Te minder is dan een derde/overnemer zoals de belanghebbende gebonden, die evenmin afstand heeft gedaan van rechtsmiddelen gedaan.
unitsop de derde en de vijfde etage kunnen worden bezien als zelfstandig voor de heffing van de omzetbelasting en de overdrachtsbelasting. Van een zelfstandig gedeelte van een onroerende zaak was volgens het Btw-vastgoedbesluit 2009 (en is ook volgens het huidige Btw-vastgoedbesluit 2013) sprake als dat gedeelte fysiek (bouwkundig) afgescheiden is en economisch zelfstandig is te gebruiken of te exploiteren. Het Hof achtte de ‘afspraak’ tussen [C] en de inspecteur ‘in lijn’ met het Btw-vastgoedbesluit 2009, daarmee kennelijk oordelende dat de derde en de vijfde etage niet op hun beurt uit meer zelfstandige gedeelten bestonden. Feiten die tot dat oordeel zouden kunnen leiden zijn door het Hof niet zichtbaar onderzocht of vastgesteld en dat oordeel is dan ook niet begrijpelijk zonder motivering, die ontbreekt. Mijns inziens moet vernietigd en verwezen worden voor onderzoek of op het moment waarop de eerste huurders introkken op de derde en de vijfde etages, die etages verdeeld konden worden in meer bouwkundig zelfstandige en economisch zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelten.
2.De feiten en het geding in de feitelijke instanties
De feiten
[A]complex van onroerende zaken op [B]. Dat complex bestaat uit drie gebouwen, waarvan één een kantoortoren is.
2. Ingebruikneming
unitbeoordeeld kunnen worden en dat daardoor niet voldaan is aan de voorwaarden voor de vrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BvR:
3.Het geding in cassatie
unitskunnen worden aangemerkt als ontworpen en bestemd om als afzonderlijke en zelfstandige gedeelten te worden gebruikt en daarom de samenloopvrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BvR niet van toepassing heeft geacht.
unitszelfstandige onroerende zaken zijn in de zin van het Btw-vastgoedbesluit 2013 omdat zij fysiek gescheiden zijn en economisch zelfstandig kunnen worden geëxploiteerd. De verhuurde delen waren afgescheiden en hadden een eigen opgang/lift.
verweerstelt de staatssecretaris dat de vraag of een afspraak tussen [C] en de inspecteur tot stand is gekomen, berust op aan het Hof voorbehouden waardering van bewijsmiddelen en dat diens waardering geenszins onbegrijpelijk is. De inspecteur heeft in feitelijke instanties wel degelijk gesteld dat een afspraak is gemaakt waarop later niet op kan worden teruggekomen. Uit de bouwtekeningen 2009 en de foto’s van de etages in de brochure volgt zijns inziens voorts dat elke etage als één geheel is bestemd en ontworpen, zodat het Hof de gemaakte afspraak terecht in lijn heeft geacht met het Btw-vastgoedbesluit 2009, dat inderdaad onveranderd is voortgezet in het Samenloopbesluit 2012 en het Btw-vastgoedbesluit 2013.
unitsaangemerkt als zelfstandige onroerende zaken. Als de belanghebbende
unitskan creëren en daar ‘nieuwe’ eerste ingebruiknamedata aan kan verbinden, worden lopende herzienings-termijnen gewijzigd, zulks in strijd met art. 37d Wet OB. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de fiscale indeplaatstreding ook ziet op de omzetbelasting-gevolgen van de kwalificatie van een object als een of meer zelfstandige onroerende zaken, aldus de staatssecretaris.
4.De anticumulatievrijstelling in de Wet BvR
unitskunnen worden gesplitst en de eerste verhuur van een
unitdus niet meebrengt dat de gehele etage in gebruik is genomen.
De betekenis van de correspondentie tussen de vervreemder en de fiscus voor de indeplaatstreding ex art. 37d Wet OB
Zita Modes [19] heeft het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) bepaald dat het om een Unierechtelijk begrip gaat dat uniform moet worden uitgelegd en dat eronder moet worden verstaan de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke samen een onderneming of een deel van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Ik meen dat daarmee vast staat dat een ‘algemeenheid van goederen’ ex art. 37d Wet OB een specifiek Btw-technisch begrip is dat civielrechtelijk niet bestaat, evenmin als, bijvoorbeeld, fiscaal informeel gestort kapitaal of de fiscale eenheid voor de omzetbelasting of voor de vennootschapsbelasting.
civielrechtelijkerechtsverhouding tussen twee (rechts)personen met betrekking tot één transactie, maar om de
administratiefrechtelijkerelatie die de overdrager met de heffende overheid (…) heeft en ten aanzien waarvan hij het stokje overgeeft aan de overnemende partij. De overnemende partij treedt door deze wettelijke bepalingen in de
fiscalepositie van de overdrager (althans voor zover samenhangend met de overdracht).
in de plaats te zijn getredenvan de afzonderlijke onderdelen (bij ontvlechting vice versa). Bij de overdracht van een algemeenheid van goederen bepaalt art. 37d Wet OB 1968 (art. 19 en Pro 29 van de BTW-richtlijn) dat “degene op wie de goederen overgaan
in de plaats (treedt)van de overdrager” en art. 8 Uitv Pro. besch. OB 1968 “dat in geval van art. 37d Wet OB wordt hij aan wie de overdracht is geschied, geacht
in plaats te zijn getredenvan degene die de onderneming of een gedeelte daarvan heeft overgedragen”. Ook hier gaat het in de eerste plaats om een administratiefrechtelijke of fiscale indeplaatsstelling waarbij de rol van belastingplichtige wordt overgenomen door een andere belastingplichtige [21] en de rol van de “wederpartij” onveranderd wordt ingevuld door de belastingheffer. Het opgaan in, of juist verlaten van, een fiscale eenheid door een (rechts)persoon verandert niets aan de contractuele relaties die deze persoon met derden onderhoudt. Bij de overdracht van een onderneming vindt daarentegen in de regel eveneens in civielrechtelijke zin contractsoverneming plaats omdat de overnemer vaak lopende contracten overneemt. Bij de overdracht van een algemeenheid van goederen kan immers bepaald worden dat de overnemer bepaalde, of alle contracten die de overnemer is aangegaan (als leverancier en/of dienstverlener en/of afnemer) overdraagt aan de overnemer.”
BNB2014/224 [22] betrof de reikwijdte van de indeplaatsstelling ex art. 37d Wet OB. De belastingplichtige had in december 2007 een algemeenheid van goederen overgenomen, waaronder een gebouw dat sinds 1 januari 2007 voor vrijgestelde doelen werd gebruikt. De op de eerdere levering van die goederen
aande overdrager berekende omzetbelasting was destijds door de overdrager volledig in aftrek gebracht, zodat die aftrek herzien moest worden (art. 13(2) Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). De belastingplichtige had in verband met die herziening omzetbelasting voldaan vanaf de datum van de overname van de onderneming. De inspecteur vond dat omzetbelasting verschuldigd was over het volledige ‘jaarbedrag’. Mijn ambtgenoot Van Hilten concludeerde op dit punt als volgt (ik laat voetnoten weg): [23]
in de plaats tredenvan de overdrager, is daarin niet – evenmin als in de gepubliceerde stukken met betrekking tot de totstandkoming van de richtlijnen inzake btw – nader gepreciseerd wat onder deze indeplaatstreding moet worden verstaan. De jurisprudentie van het HvJ over de uitlegging van artikel 19 van Pro de btw-richtlijn strekt zich evenmin daartoe uit. In de wetsgeschiedenis en in de nationale jurisprudentie valt daarentegen omtrent de hier bedoelde indeplaatstreding wel het een en ander te vinden.
Kan de staatssecretaris nader uitleggen wat precies de gevolgen zijn van het in de plaats treden van? (…). Stel dat de gehele onderneming wordt overgedragen en dat naderhand naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting worden opgelegd die betrekking hebben op de periode van voor de overdracht. Worden die aanslagen dan opgelegd aan de opvolger of aan de voorganger?”
met name van belang voor de zogenoemde herzieningsregels in de BTW.Roerende goederen worden vijf jaar, onroerende goederen tien jaar gevolgd wat de voorbelasting betreft. Als in die periode het gebruik van die goederen wijzigt - van belaste prestaties naar vrijgestelde of omgekeerd - wordt de aftrek van voorbelasting herzien.
Deze herzieningsperiode zal, evenals dat het geval is onder de huidige redactie van artikel 31, overgaan op degene op wie de goederen overgaan.”
periodevan een (on)roerende zaak die deel uitmaakt van de overgedragen onderneming bij de overnemer doorloopt. De overnemer heeft dus niet te maken met een nieuwe periode van herziening ter zake van de desbetreffende (on)roerende zaak. Dat lijkt mij overigens ook wel voor de hand te liggen, nu – sinds 24 juni 1998 ook wettelijk – bij de overdracht van de algemeenheid van goederen, geen leveringen en diensten worden geacht plaats te vinden. (…) Er is daardoor ook geen ‘breuklijn’ tussen de oude en de nieuwe exploitant van de onderneming: doordat geen leveringen worden geacht plaats te vinden, wordt immers ook niet toegekomen aan toepassing van het bepaalde in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking (vergelijk artikel 188 van Pro de btw-richtlijn). Op grond van die bepaling wordt bij levering van een (on)roerende zaak gedurende de herzieningstermijn, die herzieningstermijn als het ware fictief ‘volgemaakt’ en afgerond bij de leverancier, waarna bij de verkrijger, uitgaande althans van een belaste levering, een nieuwe herzieningsperiode begint. Bij de overdracht van een algemeenheid van goederen wordt door het ontbreken van een levering daaraan niet toegekomen. Daaruit volgt reeds onafwendbaar dat de herzieningsperiode bij de overnemer doorloopt. (…)
Voor de toepassing van deze bepaling moet een onderscheid worden gemaakt tussen de omzetbelasting die verschuldigd is geworden vóór en na de datum van de overgang van de algemeenheid van goederen. De belasting die
verschuldigd is geworden vóór de datum van overgang kan alleen worden nageheven van de overdrager; de belasting die verschuldigd is geworden na de datum van overgang kan alleen van de «opvolger» worden nageheven. Het Gerechtshof te Den Haag heeft dit standpunt bevestigd in de uitspraak van 12 maart 1980, nr. 68/1978, BNB 1981/204.””
Zita Modesde vraag of voor de overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van de Btw-richtlijn vereist is dat de overnemer dezelfde activiteiten heeft als de overdrager. Hij merkte over de indeplaatstreding op:
BNB1992/133 [27] overwoog u:
NTFR2015/1915 op de Rechtbankuitspraak in belanghebbendes zaak meent Toet dat een overnemer niet is gebonden aan een standpuntbepaling van de overdrager over de objectafbakening en evenmin aan een overeenkomst te dier zake tussen overdrager en fiscus als de laatsten geen afspraken hebben gemaakt over de duur of de opzegging van die overeenkomst:
FutD2015-1176) meent met de Rechtbank dat ook afspraken tussen verkoper en fiscus mee overgaan bij toepassing van art. 37d Wet OB:
6.Zelfstandig gedeelte van een gebouw
BNB2012/100 [30] en HR
BNB2012/101 [31] bij de omzetbelastingheffing ter zake van kantoorpanden in beginsel heeft gekozen voor de complex-benadering, [32] inhoudende dat als een deel in gebruik wordt genomen, daarmee het hele pand in gebruik wordt genomen zodat de tweejaarstermijn ex. art. 11(1)(a)(1°) Wet OB en de herzieningstermijn voor het hele pand beginnen te lopen.
BNB2013/110, [33] waarin u overwoog:
BNB2014/67 [34] betrof de aftrek van input-Btw ter zake van een pand met aparte woon- en werkgedeelten. U overwoog:
unit-benadering, waarbij de btw-aspecten per
unitworden bepaald. Het Btw-vastgoedbesluit 2009 luidde, voor zover hier van belang (ik laat voetnoten weg):
3.2 Zelfstandigheid van (gedeelten van) onroerende zaken
Bij een onroerende zaak die voor de belastingheffing bestaat uit meerdere zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelten (een zogenoemde deelbare zaak), vindt de ingebruikneming gefaseerd plaats en wel per in gebruik genomen zelfstandig deel van de zaak. Naar mijn mening biedt het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2008, nr. 43.011, ruimte voor deze uitleg. Te denken valt aan een nieuw kantoorgebouw dat bestaat uit meerdere zelfstandig te gebruiken verdiepingen, die fasewijs in gebruik worden genomen. De gemeenschappelijk gebruikte ruimtes in zo’n kantoorpand (zoals de entree, receptie, liften, kantine e.d.) worden voor het eerst in gebruik genomen op het moment dat de eerste (zelfstandige) verdieping van het pand voor het eerst duurzaam in gebruik wordt genomen. Als een onroerende zaak voor de belastingheffing niet is op te splitsen in zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelten, wordt de zaak voor de belastingheffing als ondeelbaar beschouwd. Met ‘ondeelbaar’ wordt bedoeld dat de diverse gebruiksruimtes in de onroerende zaak niet van elkaar zijn gescheiden (d.w.z. dat de ruimtes niet beschikken over een zelfstandige toegang, in- dan wel uitpandig). Een voorbeeld van een ondeelbare onroerende zaak is een bedrijfshal, waarin alle gebruiksruimtes (zoals ontwerp, productie, verkoop en administratie) zijn ondergebracht. Bij ondeelbare onroerende zaken vindt de eerste ingebruikneming plaats als het eerste deel van de zaak conform de objectieve bestemming duurzaam in gebruik wordt genomen.
unitsin een
multi tenantkantoorpand die met flexibele wanden zijn afgegrensd, gefaseerd in gebruik kunnen worden genomen. Uit paragraaf 4.5.1 volgt echter dat met flexibele wanden begrensde en daardoor economisch zelfstandig bruikbare/exploiteerbare gedeelten volgens de fiscus
nietzijn te beschouwen als een zelfstandige onroerende zaak. Ook uit het Btw-vastgoedbesluit 2013 (zie 6.7 en 6.8 hieronder) blijkt dat de staatssecretaris dat zo bedoelde, nu dat besluit - dat op dit punt geen wijziging beoogde ten opzichte van het Btw-vastgoedbesluit 2009 [36] - expliciet stelt dat
unitsbouwkundig fysiek gescheiden moeten zijn om als zelfstandige onroerende zaken voor de omzetbelastingheffing in aanmerking genomen te worden.
pantryeen ander voorbeeld is van een geval waar geen sprake is van een zelfstandig te gebruiken deel van een onroerende zaak.
3.3 Eerste ingebruikneming
verdiepingen, maar als op één verdieping sprake is van meer bouwkundig van elkaar gescheiden en zelfstandig te gebruiken
units, zie ik niet in waarom niet ook in dat geval beroep zou kunnen worden gedaan op het besluit.
7.De heffingsgrondslag en de canon en de retributie
8.Beoordeling van de middelen
Middel (i): Indeplaatstreding ex. art. 37d Wet OB en afspraken met de fiscus
nihil obstatheeft uitgesproken. Art. 37d Wet OB maakt dat niet anders. De overnemer is hoe dan ook niet gebonden aan opvattingen van de overdrager over objectafbakening. Hij kan gewoon toepassing van de wet, de jurisprudentie en hem conveniërende beleidsregels eisen. Als het Hof bedoelt dat de
fiscusop basis van het vertrouwensbeginsel gebonden is aan zijn toezeggingen of akkoordverklaringen, dan is dat juist, maar niet relevant, nu het niet gaat om de gebondenheid van de inspecteur, maar om die van de belanghebbende.
Stcrt.2009, nr. 11140). Actualisering is onder andere noodzakelijk als gevolg van gewezen jurisprudentie en gewijzigde regelgeving.
Stcrt.2013, 26851,
V-N2013/54.15.
Bew.: Dit besluit is ingetrokken bij besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M,
Stcrt.2013, 26851,
V-N2013/54.15).
Stcrt.2009, 11140; V-N 2009/39.23.
V-N2011/11.2.3, oordeelt de Hoge Raad dat het hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat het kantoorpand als één goed in de zin van de Wet moet worden aangemerkt en dat geen sprake kan zijn van het beschikken voor bedrijfsdoeleinden in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB 1968 van een gedeelte van het kantoorpand.
V-N2006/52.1.4, vast dat het pand juridisch gezien een geheel vormt en dat kennelijk niet in geschil is dat het pand een hoofdingang heeft, dat de verschillende etages kunnen worden bereikt met een lift en dat de huurders van de op de eerste tot en met de vierde etage gelegen kantoorruimten ieder gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen zoals de parkeerkelder en op de begane grond gelegen ruimten waaronder een restaurant. Vervolgens oordeelt het hof dat het verhuren van drie van de vier kantooretages met het geheel van de aldaar bedoelde algemene voorzieningen dient te worden aangemerkt als het beschikken voor bedrijfsdoeleinden door belanghebbende over het pand als geheel. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat de kantooretages of gedeelten daarvan geschikt zijn of geschikt gemaakt kunnen worden om afzonderlijk te worden verhuurd. Het hof overweegt dat dit oordeel steun vindt in het bepaalde in artikel 5, zevende lid, onderdeel a, van de Zesde richtlijn (het huidige artikel 18, onderdeel a, van de Richtlijn 2006/112/EG), waarop artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB 1968 is gebaseerd. Aldaar is sprake van het voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed door een belastingplichtige. Daarvoor is naar het oordeel van het hof een onmiddellijk en volledig feitelijk gebruik van het gehele goed niet vereist.
BNB 2009/188(concl. A-G Van Hilten), m.nt. Van Kesteren;
V-N2008/46.16 – oordeelt de Hoge Raad dat niet is bestreden dat het pand bij de eerste verhuur in zijn geheel is geleverd in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB 1968 en verwijst naar Hof ’s-Gravenhage.
V-N2009/35.1, in dat kader onder andere dat het gedeelte van de vierde etage dat is verhuurd voor de heffing van omzetbelasting moet worden gezien als een afzonderlijk goed.
BNB 2009/188, aan zijn oordelen ten grondslag heeft gelegd dat de belanghebbende over het pand als geheel heeft beschikt voor bedrijfsdoeleinden. Dit brengt mee, dat – anders dan kan worden afgeleid uit dat arrest – op de omzetbelasting die voor de vierde etage in 2001 – terecht – in aftrek is gebracht bij de ingebruikname van die etage op 1 juli 2002 niet artikel 15, vierde lid, tweede en derde volzin, van de Wet OB 1968 van toepassing is, maar de herzieningsregeling van artikel 13 (en in voorkomend geval artikel 13a) van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968.
BNB 2012/100(
V-N2011/51.18; LJN BP6593).
V-N2015/29.2.1 (
Belastingadvies2015/17.5; ECLI:NL:RBZWB:2015:1782), dat de belanghebbende bij de verkrijging voor de omzetbelasting in de plaats treedt van de verkoper, gelet op de bepalingen van artikel 37d, voorheen artikel 31 van Pro de Wet OB 1968 en artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Ten gevolge hiervan is de belanghebbende gebonden aan de plichten van de verkoper betreffende diens fiscale positie voor de omzetbelasting en de daaruit voortvloeiende fiscale, omzetbelastingtechnische, verplichtingen. Hierbij verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2014, nr. 12/03952,
BNB 2014/224. Uit de toepassing van artikel 37d van de Wet OB 1968 volgt derhalve dat de belanghebbende voor de berekening van de verschuldigde omzetbelasting in de plaat treedt van de verkoper, waardoor de belanghebbende de derde en vijfde etage niet alsnog kan aanmerken als per etage te verdelen units voor de omzetbelasting. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WBR. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de toepassing van de vrijstelling per etage of per unit en de indeling van de etages in units behoeft derhalve geen behandeling meer.
LJN BH6902, dat de belanghebbende, gezien de samenhang tussen de te verhuren gedeelten van het pand en de daarvoor bestaande algemene voorzieningen, bij de eerste (belaste) verhuur over het gebouw als geheel heeft beschikt voor bedrijfsdoeleinden. Van een integratielevering kan dan in een later tijdvak geen sprake meer zijn.
V-N2008/46.16, dat per datum van de vrijgestelde verhuur voor dat vrijgesteld verhuurde gedeelte de omzetbelasting moet worden herrekend overeenkomstig artikel 15, vierde lid, van de Wet OB 1968.
BNB 2013/110, volgt dat sprake is van zelfstandige delen van een gebouw, indien het gebouw horizontaal of verticaal is gesplitst in appartementsrechten. De rechtbank leidt hieruit af dat de Hoge Raad in elk geval zelfstandigheid van delen van een gebouw aanneemt als sprake is van juridische zelfstandigheid van die delen. Deze juridische zelfstandigheid blijkt ook doordat het betreffende gedeelte apart kan worden geleverd/overgedragen aan een andere persoon. Hiervan is in het onderhavige geval echter geen sprake. De vraag die daarom moet worden beantwoord, is of de feitelijke situatie van het kantoorpand zodanig is, dat moet worden geoordeeld dat de apart verhuurde gedeelten zelfstandige delen van het kantoorpand zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2008, nr. 43 011,
BNB 2009/188, niet bepalend is voor de vraag of een kantoorpand met zelfstandig verhuurbare gedeelten voor de integratieheffing één goed is of meerdere goederen. In deze zaak had het Hof vastgesteld dat bij het daar beoordeelde kantoorpand sprake was van één goed voor de integratieheffing. Tegen dat oordeel was geen cassatiemiddel gericht, zodat de Hoge Raad daar in die zaak van uit moest gaan.
BNB 2012/271, is onvoldoende reden om anders te oordelen over de zelfstandigheid van de verhuurde gedeelten van het kantoorpand. In de uitspraak werd de zolder van een pand aangemerkt als een apart investeringsgoed. Daarmee is echter nog niet gezegd dat een apart verhuurde etage in een kantoorpand ook een apart goed is voor de integratieheffing.
V-N2015/2.2.3 (ECLI:NL:RBGEL:2014:5964).
V-N2008/47.24.
unitsop de derde en de vijfde étage fysiek afgescheiden zijn en in economisch opzicht zelfstandig kunnen worden geëxploiteerd. De staatssecretaris daarentegen stelt dat uit de bouwtekeningen van 2009 en de foto’s van de etages in de brochure volgt dat elke etage als één geheel bestemd en ontworpen is. Die stellingen zijn door het Hof niet onderzocht en kunnen door de cassatierechter niet beoordeeld worden.