ECLI:NL:HR:2014:2480

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 augustus 2014
Publicatiedatum
26 augustus 2014
Zaaknummer
14/00045
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen uitleveringsuitspraak

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 december 2013 inzake verzoeken van de Republiek Turkije tot uitlevering van een persoon geboren in 1973. Het beroep werd ingesteld door de opgeëiste persoon, bijgestaan door een advocaat.

De Hoge Raad heeft op 17 juni 2014 reeds geoordeeld dat een aantal middelen niet tot cassatie kunnen leiden en heeft de Advocaat-Generaal gevraagd zich uit te laten over de overige middelen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk reageerde.

De Hoge Raad oordeelt dat de overige middelen eveneens niet tot cassatie kunnen leiden en ziet geen aanleiding tot nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

Daarom wordt het beroep verworpen en blijft de uitleveringsuitspraak van de Rechtbank Den Haag in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de uitleveringsuitspraak van de Rechtbank Den Haag blijft in stand.

Uitspraak

26 augustus 2014
Strafkamer
nr. S 14/00045 U
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 december 2013, nummer RK 13/4999, op verzoeken van de Republiek Turkije tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1442, geoordeeld dat het eerste, het tweede en het vierde middel niet tot cassatie kunnen leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.
1.3. De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.4.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 augustus 2014.