Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het vierde middel
6.Beslissing
17 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag die uitlevering aan Turkije toelaatbaar heeft verklaard. De klachten richten zich op vermeende tekortkomingen in de feitelijke omschrijving waarvoor uitlevering is toegestaan, het vereiste van dubbele strafbaarheid en de tenuitvoerlegging van de veroordeling.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank voldoende heeft voldaan aan de eis van artikel 28, derde lid, van de Uitleveringswet door te verwijzen naar de relevante vonnissen waarin de feiten zijn omschreven. Ook faalt de klacht dat niet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan, omdat de kern van het strafbare feit in Turkije overeenkomt met de Nederlandse strafbepalingen, met name artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het uitleveringsverzoek strekt ter executie van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, gelet op het vonnis van 12 november 2009 en de daarop volgende procedures. De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rolzitting zodat de Advocaat-Generaal zich alsnog kan uitlaten over de overige middelen die nog niet zijn behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar de rolzitting voor nadere behandeling van de niet-onderziene middelen en houdt verdere beslissing aan.