Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het Hof Amsterdam verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde drugshandel- en voorbereidingsfeit, mede vanwege onherstelbare vormverzuimen bij de inzet van een Britse opsporingsambtenaar die niet correct in de bevelen was vermeld. Het Hof achtte deze vormverzuimen aanleiding voor bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad toetst dit oordeel en herhaalt de relevante criteria voor rechtsgevolgen van vormverzuimen volgens art. 359a Sv, waaronder het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel voor de verdachte. De Hoge Raad constateert dat het Hof niet voldoende heeft gemotiveerd waarom bewijsuitsluiting passend is, omdat het niet heeft onderzocht of de geschonden voorschriften het recht op een eerlijk proces dienden te waarborgen of dat sprake was van een ernstige grondrechtenschending.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof voor zover het de vrijspraak betreft en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam wegens onvoldoende motivering van bewijsuitsluiting en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.