Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Breda,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 februari 2014.
Hoge Raad
Betrokkene was op 11 juli 2013 krachtens een beschikking van de burgemeester tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende op 15 juli 2013 machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling. Op verzoek van de officier van justitie werd op 5 augustus 2013 een voorlopige machtiging tot voortzetting van het verblijf gevraagd, met een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten (AVG) die niet tevens psychiater was in de zin van de Wet Bopz.
Betrokkene stelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat de verklaring niet door een bevoegd psychiater was opgesteld, zoals vereist volgens de Wet Bopz. De rechtbank verwierp dit verweer en baseerde zich op een wetsvoorstel dat AVG's gelijkstelt aan psychiaters voor deze toepassing, hoewel dit wetsvoorstel toen nog niet in werking was getreden.
De Hoge Raad oordeelde dat onder de toen geldende wetgeving alleen een psychiater bevoegd was de verklaring af te geven en dat anticipatie op het nog niet in werking getreden wetsvoorstel onjuist was. Omdat de wet geen terugwerkende kracht kende, was de verklaring van de AVG niet rechtsgeldig. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onjuiste bevoegdheid van de arts die de geneeskundige verklaring afgaf en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.