Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
Klaagster diende een klaagschrift in tegen conservatoir beslag op meerdere bankrekeningen, gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen haar voormalige partner. De rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift deels gegrond en deels ongegrond, waarbij zij oordeelde dat sprake was van een schijnconstructie omtrent het salaris dat klaagster ontving en de uitkering uit de overwaarde van een woning.
De Hoge Raad herhaalt de toetsingsmaatstaven uit eerdere jurisprudentie en stelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het salaris en de uitkering als schijnconstructie moeten worden aangemerkt met het kennelijke doel de uitwinning te frustreren. De rechtbank had niet voldoende onderbouwd dat klaagster wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het geld bedoeld was om beslaglegging te frustreren.
De Hoge Raad benadrukt dat bij een klaagschrift tegen beslag op grond van art. 94a Sv de rechter moet onderzoeken of er voldoende aanwijzingen zijn dat het geld met kennelijk doel aan de derde is toegekomen en dat deze wetenschap had. Omdat de rechtbank dit niet adequaat heeft gemotiveerd, vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande klaagschrift.
De beslissing is genomen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 9 september 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde behandeling.