Uitspraak
[X]te
[Z]ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 april 2014, nrs. 13/00231 tot en met 13/00236, betreffende een zestal aan [A] te [Q], Duitsland, uitgereikte uitnodigingen tot betaling (UTB’s).
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over zes uitnodigingen tot betaling (UTB's) aan een belanghebbende te Duitsland.
Het beroepschrift in cassatie voldeed niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het niet de gronden van het beroep bevatte. De Hoge Raad heeft de belanghebbende per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken te herstellen.
Deze termijn eindigde op 22 juli 2014, maar het herstel werd niet tijdig verricht; de brief die op 24 juli 2014 binnenkwam, werd buiten beschouwing gelaten. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is uitgesproken in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 26 september 2014.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden en het niet tijdig herstellen daarvan.