Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor het met voorbedachte raad beroven van het leven van het slachtoffer op 24 december 2009.
Het hof had vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer hadden vastgebonden, geslagen en gekneveld, waarna het slachtoffer overleed. Het hof concludeerde dat verdachte met voorbedachte raad had gehandeld, omdat hij voldoende tijd en gelegenheid had om zich te beraden over zijn besluit.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft dat verdachte zich daadwerkelijk heeft voorgenomen het slachtoffer te doden. Uit de feiten volgt dat de medeverdachte de opdracht gaf het slachtoffer een 'lesje te leren' zonder dat het slachtoffer pijn mocht lijden of gedood mocht worden. De enkele omstandigheid dat verdachte tijd had om zich te beraden, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie van voorbedachte raad.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring voorbedachte raad en wijst zaak terug naar hof voor hernieuwde berechting.