Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen met een betalingsverplichting van €86.100.
Het middel klaagde dat het Hof ten onrechte volstond met een enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn zonder verdere sanctie. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 17 juni 2008 en HR 11 februari 2014) waarin is bepaald dat in ontnemingszaken de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting, doorgaans met een maximum van €5.000.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en vermindert deze met €5.000 tot €81.100. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt het beginsel van redelijke termijn in cassatie toegepast en de sanctie proportioneel gehouden.
Uitkomst: Betalingsverplichting ter ontneming wordt verminderd met €5.000 wegens overschrijding redelijke termijn.