Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat het hof ten onrechte volstond met een constatering van overschrijding van de redelijke termijn zonder verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van eerdere jurisprudentie (HR 17 juni 2008 en HR 11 februari 2014) het middel terecht was voorgesteld, maar dat dit niet tot cassatie leidt. Dit omdat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet vermeldt dat betrokkene of zijn gemachtigde geklaagd heeft over de termijnoverschrijding, zodat aangenomen moet worden dat betrokkene niet langer dan redelijk onder dreiging van strafvervolging heeft geleefd.
De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de enkele constatering van overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak het passende rechtsgevolg is, tenzij tijdig en expliciet bezwaar is gemaakt. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg heeft zonder tijdige klacht.