Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad heeft het beroep deels gegrond verklaard, namelijk voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting.
De kern van het geschil betrof de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het Hof had volstaan met een constatering van deze overschrijding zonder verdere gevolgen voor de betalingsverplichting. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten waarin is vastgesteld dat in ontnemingszaken de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting, die in beginsel niet meer bedraagt dan € 5.000.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert deze met € 5.000, waardoor het te betalen bedrag € 167.220 bedraagt. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt de zaak definitief afgedaan.
Uitkomst: Betalingsverplichting verminderd met €5.000 wegens overschrijding redelijke termijn.