In deze zaak stond centraal de beoordeling van een geschil over contractsoverneming en de daarbij behorende proceskostenveroordeling. Adrina Produkties B.V. en Bassie Produkties B.V. (Adrina c.s.) hadden cassatie ingesteld tegen het eindarrest van het gerechtshof Den Haag van 21 mei 2013. Het hof had eerder een tussentijds arrest gewezen op 20 december 2011 en een eindarrest op 21 mei 2013.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam en de arresten van het hof Den Haag voor het geding in feitelijke instanties. Tegen de wederpartijen, aangeduid als [verweerder] c.s., was verstek verleend. De waarnemend Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt verworpen en Adrina c.s. worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van [verweerder] c.s. op nihil worden begroot.
Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 24 oktober 2014.