ECLI:NL:HR:2014:3113

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2014
Publicatiedatum
5 november 2014
Zaaknummer
12/05521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a Wetboek van StrafvorderingArt. 263 Wetboek van StrafvorderingArt. 326 Wetboek van StrafvorderingArt. 330 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak mensenhandel na afwijzing getuigenverzoek

In deze strafzaak werd verdachte meermalen schuldig bevonden aan mensenhandel, waarbij onder meer een getuige werd opgegeven door de verdediging. Het hof Arnhem wees het verzoek tot het horen van deze getuige af, omdat het verzoek kort voor de inhoudelijke behandeling werd ingediend en de verblijfplaats van de getuige achterhaald had kunnen worden, wat in strijd was met de goede procesorde.

De verdediging klaagde in cassatie over de afwijzing van het getuigenverzoek en stelde dat de verklaring van de getuige niet gebruikt mocht worden voor bewijs, omdat hij niet ter terechtzitting was gehoord. De Hoge Raad overwoog echter dat het hof terecht had geoordeeld dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of overwegend op die verklaring rustte en dat deze op belangrijke punten werd ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Daarnaast werd een klacht over een mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) wegens tijdsverloop na de uitspraak verworpen, omdat deze niet voldeed aan de eisen voor cassatie. De Hoge Raad concludeerde dat verdachte geen voldoende belang had bij zijn klacht over de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek en verwierp het beroep.

De uitspraak bevestigt dat het hof een getuigenverzoek mag afwijzen als het te laat wordt ingediend en dat verklaringen van niet-gehoorde getuigen gebruikt kunnen worden indien deze worden ondersteund door ander bewijs. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en werd op 4 november 2014 uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor mensenhandel en de afwijzing van het getuigenverzoek.

Uitspraak

4 november 2014
Strafkamer
nr. 12/05521
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 november 2012, nummer 21/004613-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.A. Krikke, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft mr. J. Th. A. Bos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van de door de verdediging opgegeven getuige [getuige 1] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij
- kort gezegd - zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, onder anderen ten aanzien van de in het middel genoemde [getuige 1].
2.3.1.
De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht [getuige 1] als getuige op te roepen teneinde hem ter terechtzitting van het Hof te doen horen. Nadat het Hof bij tussenarrest dit verzoek had afgewezen, heeft de raadsman van de verdachte het Hof opnieuw verzocht om [getuige 1] als getuige op te roepen. Het Hof heeft dit herhaalde verzoek ter terechtzitting van 12 november 2012 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
"Het Hof heeft de verzochte getuigen, met uitzondering van getuige [getuige 1], getoetst aan het noodzaakcriterium.
(...)
Het hof heeft de verzochte getuige [getuige 1] getoetst aan het verdedigingsbelang, hoewel over het toepasselijke criterium getwijfeld kan worden. Het verzoek tot het horen van deze getuige is eerder bij tussenbeslissing afgewezen. Na het verhoor van [getuige 2] op 18 juli 2012 was bij de verdediging bekend dat de verzochte getuige een andere getuige in Arnhem heeft afgezet ten behoeve van een verhoor bij de raadsheer-commissaris. Alsdan moet het de verdediging duidelijk zijn geweest dat een mogelijke verblijfplaats te achterhalen was. Om dan zo kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een verzoek tot het horen van deze getuige in te dienen is in strijd met de goede procesorde. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Het hof zal wel rekening houden met het feit dat de verdediging ten aanzien van getuige [getuige 1] het ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren."
2.3.2.
Het bestreden arrest houdt over het gebruik door het Hof voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] het volgende in:
"Net als de rechtbank heeft ook het hof de verklaringen van de aangevers en de getuigen met de benodigde behoedzaamheid bekeken. Gezien de grote hoeveelheid verklaringen en het feit dat deze verklaringen naar het oordeel van het hof in grote lijnen hetzelfde beeld tonen, worden de verklaringen op deze hoofdlijnen betrouwbaar geacht en zijn ze aldus bruikbaar voor bewijs.
(...)
De verdediging heeft aangevoerd dat in ieder geval de verklaringen van de aangevers/getuigen die de verdediging heeft willen horen, maar niet heeft kunnen horen omdat hun verblijfplaats niet bekend was (het hof begrijpt: getuige [getuige 1]) niet gebruikt mogen worden voor het bewijs.
Het Hof oordeelt anders. De bewezenverklaring rust in deze zaak niet uitsluitend of overwegend op de verklaring van deze aangever, welke verklaring overigens op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Dit betekent dat het hof zijn verklaring zal bezigen voor het bewijs, met de hiervoor over de andere aangevers/getuigen overwogen behoedzaamheid. Dat wil zeggen dat het hof zijn verklaring dat hij voor verdachte in de prostitutie heeft gewerkt en dat hij een deel van zijn inkomsten heeft afgestaan aan verdachte, voor het bewijs zal bezigen."
2.4.1.
Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:
"2.75. (...) In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. (...)"
2.4.2.
In aanmerking genomen dat in de schriftuur niet wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat de bewezenverklaring "niet uitsluitend of overwegend op de verklaring van deze aangever berust", noch wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat de verklaring van [getuige 1] "op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal", mist de verdachte een voldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie dat het getuigeverzoek onbegrijpelijk gemotiveerd is afgewezen. Met zijn overwegingen heeft het Hof immers als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van [getuige 1], ook al heeft de verdediging hem niet ter terechtzitting van het Hof als getuige gehoord, bruikbaar is voor het bewijs nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).
2.5.
Het middel kan niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.
Voor zover het middel beoogt te klagen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden, mist het feitelijke grondslag zodat het in zoverre niet tot cassatie kan leiden.
3.2.
Voor het overige voldoet het in de schriftuur gestelde niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu daarin niet wordt geklaagd over een jegens de verdachte reeds gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM als gevolg van tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld doch slechts over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk.

4.Beoordeling van het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt de beroepen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2014.