Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 november2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, gewezen bij verstek. Het middel van cassatie betrof de niet-naleving van het voorschrift van artikel 51 Sv Pro, namelijk het niet toezenden van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte.
Uit de stukken bleek dat weliswaar een brief van de raadsman was ontvangen waarin hij zich als raadsman bekendmaakte, maar dat nergens kon worden vastgesteld dat hem een afschrift van de dagvaarding was toegezonden. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was noch de verdachte, noch diens raadsman aanwezig.
De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 51 Sv Pro van groot belang is voor de verdediging en dat het niet naleven daarvan ertoe leidt dat de zaak niet geldig kan worden behandeld zonder aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. Daarom werd het middel gegrond verklaard, het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens niet-naleving van het dagvaardingsvoorschrift.