ECLI:NL:PHR:2014:2066

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
13/05899
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 39 SvArt. 410 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving van art. 51 Sv in hoger beroep strafzaak poging diefstal

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen en kreeg een taakstraf opgelegd. Het Hof Den Haag verklaarde het hoger beroep van de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk, omdat de verdachte noch zijn raadsman bij de zitting waren verschenen.

In cassatie klaagt de verdachte dat het Hof ten onrechte geen toepassing gaf aan art. 51 Sv Pro, dat voorschrijft dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman moet worden gezonden. Uit het dossier bleek dat mr. Lamers als raadsman van de verdachte had opgetreden in eerste aanleg en dit ook schriftelijk had bevestigd, wat als een stelbrief kan worden beschouwd.

Het Hof had moeten onderzoeken of het voorschrift van art. 51 Sv Pro was nageleefd voordat het het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Dit onderzoek heeft het Hof niet verricht. Bovendien was niet gebleken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman was gezonden.

De Hoge Raad oordeelt dat de niet-naleving van art. 51 Sv Pro een ernstige schending van het procesrecht inhoudt die de geldige behandeling van de zaak in hoger beroep in de weg staat. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hof voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep met inachtneming van de juiste procesvoorschriften.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling met naleving van art. 51 Sv.

Conclusie

Nr. 13/05899
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 september 2013 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 juni 2012, waarbij de verdachte wegens "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in art. 51 Sv Pro.
3.2. Een stelbriefje is geen noodzakelijk voorwaarde om als raadsman op te kunnen treden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend. [1]
3.3. De Politierechter heeft op tegenspraak (mr. M.J. Lamers is bij de behandeling in eerste aanleg verschenen en heeft in de hoedanigheid van gemachtigde raadsman het woord tot verdediging gevoerd) vonnis gewezen op 27 juni 2012 en op 11 juli 2012 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. In het dossier bevindt zich een brief van mr. Lamers van 25 juli 2012 [2] waarin hij expliciet te kennen geeft dat hij in de strafzaak tegen de verdachte zal optreden als diens raadsman. Voorts heeft de raadsman aangegeven dat, gelet op art. 410 Sv Pro onderzoekswensen voor het hoger beroep zouden moeten worden opgegeven, maar dat dat voor de verdediging in dit stadium niet mogelijk is, aangezien zij nog niet beschikt over een uitgewerkt vonnis en dat de verdediging zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt om na ontvangst van het vonnis alsnog opgave te doen van eventuele getuigen en/of onderzoekswensen. Ik meen dat de brief van de raadsman, gelet op de inhoud daarvan, bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een zogenaamde ‘stelbrief’ in de zin van art. 39 Sv Pro. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd kan te wijten zijn aan de adressering van de genoemde brief: die is gericht aan de rechtbank waarvan de Politierechter deel uitmaakt. Daarmee is een zeker risico geschapen dat de brief terecht zou komen in de ‘Bermuda triangle’ die, als het om correspondentie in het strafprocesrecht gaat, zich soms uitstrekt tot de fase tussen de eerste aanleg en het hoger beroep. De schriftuur ex art. 410 Sv Pro moet immers bij de rechtbank worden ingediend, maar aanvullingen daarop kunnen wellicht beter meteen naar het Hof. Dat laatste geldt zeker voor mededelingen over het optreden als raadsman in hoger beroep. Maar, hoe dan ook, het Hof kón kennis nemen van de brief. Mr. Lamers had in hoger beroep aldus als raadsman behoren te worden erkend en behandeld. [3] Een goede procesorde brengt mee dat in zo een geval de rechter, nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting pas voortzet nadat hij zich ervan heeft vergewist dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro is nageleefd, dan wel zich een toelaatbare - maar in casu niet aanwezige - uitzondering daarop voordoet. Dat het Hof anders heeft gehandeld ligt besloten in het feit dat het Hof ter terechtzitting enkel heeft vastgesteld dat de appeldagvaarding rechtsgeldig aan de verdachte is betekend. Nu de raadsman niet ter terechtzitting aanwezig was, had het Hof ook moeten onderzoeken of voldaan was aan het in art. 51 Sv Pro gegeven voorschrift. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet.
3.4. Bij de stukken bevindt zich voorts het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen voor de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2013. Noch uit mededelingen gesteld op voornoemd stuk noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan een raadsman is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2013 zijn aldaar de verdachte noch een raadsman verschenen.
3.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. [4]
3.6. Het middel, dat daarover klaagt, is dus terecht voorgesteld.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182.
2.Aan deze brief wordt in de cassatieschriftuur gerefereerd.
3.Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303.Uit voornoemde arresten kan worden afgeleid dat zelfs een door de raadsman ingediende appelmemorie kan worden aangemerkt als een stuk waaruit blijkt dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand heeft voorzien, waarbij art. 51 Sv Pro onverkort van toepassing is.
4.Vgl. o.a. HR 18 maart 2014, S12/04681 (niet gepubliceerd), HR 9 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1453 en HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2467.