Belanghebbende stelde in cassatie dat de forfaitaire regeling voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand in bestuursrechtelijke procedures leidt tot een verboden discriminatie tussen particulieren en ondernemers. Particulieren kunnen de btw-kosten niet aftrekken en worden daardoor benadeeld ten opzichte van ondernemers die de btw kunnen verrekenen.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een forfaitaire regeling die geen onderscheid maakt tussen particulieren en ondernemers. Deze regeling is gericht op een eenvoudige en algemeen toepasbare vergoeding, waarbij slechts in bijzondere omstandigheden door de rechter kan worden afgeweken.
De Hoge Raad concludeerde dat de gemaakte keuze binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt en dat er geen sprake is van verboden discriminatie. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.