ECLI:NL:HR:2014:3320

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
14/00499
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75, lid 1, AwbArt. 1, letter a, Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 15 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verboden discriminatie bij forfaitaire vergoeding kosten rechtsbijstand in bestuursrecht

Belanghebbende stelde in cassatie dat de forfaitaire regeling voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand in bestuursrechtelijke procedures leidt tot een verboden discriminatie tussen particulieren en ondernemers. Particulieren kunnen de btw-kosten niet aftrekken en worden daardoor benadeeld ten opzichte van ondernemers die de btw kunnen verrekenen.

De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een forfaitaire regeling die geen onderscheid maakt tussen particulieren en ondernemers. Deze regeling is gericht op een eenvoudige en algemeen toepasbare vergoeding, waarbij slechts in bijzondere omstandigheden door de rechter kan worden afgeweken.

De Hoge Raad concludeerde dat de gemaakte keuze binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt en dat er geen sprake is van verboden discriminatie. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; geen verboden discriminatie bij forfaitaire vergoeding kosten rechtsbijstand.

Uitspraak

21 november 2014
nr. 14/00499
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 16 december 2013, nr. SGR 13/4121, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen besluit inzake vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het beroep. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
De klachten houden in dat de forfaitaire regeling voor kosten van rechtsbijstand, welke geen onderscheid maakt tussen particulieren enerzijds en ondernemers in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 anderzijds, een met het discriminatieverbod strijdige benadeling teweegbrengt van particulieren. Voor deze particulieren behoort de ter zake van die rechtsbijstand in rekening gebrachte omzetbelasting tot de kosten daarvan, terwijl dat niet geldt voor ondernemers die deze omzetbelasting op de voet van artikel 15 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kunnen brengen.
2.2.
De klachten falen. De wetgever heeft ervoor gekozen niet te voorzien in een regeling tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, maar te voorzien in een regeling tot toekenning van een forfaitaire bijdrage in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waarvan slechts in bijzondere omstandigheden door de rechter kan worden afgeweken. Met zijn keuze voor een eenvoudig toepasbaar algemeen forfait met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37565, ECLI:NL:HR:2003:AF7557, BNB 2004/257). Niet kan worden gezegd dat de door belanghebbende gestelde benadeling leidt tot een verboden discriminatie.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheer L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.