ECLI:NL:HR:2014:3440

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2014
Publicatiedatum
26 november 2014
Zaaknummer
13/05472
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet LB 1964Art. 10a lid 7 Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werknemers van maatschap zijn niet tevens in dienstbetrekking bij de maten voor gebruikelijk loon

In deze zaak stond centraal de vraag of werknemers die in dienst zijn van een maatschap ook als werknemers van de maten van die maatschap kunnen worden aangemerkt voor de toepassing van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit artikel bepaalt de wijze van vaststelling van het gebruikelijke loon van werknemers die tevens maten zijn in een maatschap.

Het Gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat noch de afroommethode noch de winstreductiemethode toegepast konden worden voor de bepaling van het gebruikelijke loon in deze zaak. Tevens oordeelde het Hof dat de BV, waarin belanghebbende zijn aandeel in de maatschapspraktijk had ingebracht, niet verbonden was met de maatschap in de zin van artikel 10a, lid 7, Wet LB 1964. Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat medewerkers van de maatschap ook in dienst zouden zijn van de BV.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat werknemers die in dienst zijn van een maatschap niet tevens als werknemers van de maten van die maatschap kunnen worden aangemerkt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de wettelijke tekst. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris werd daarom ongegrond verklaard.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tevens in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat werknemers van een maatschap niet tevens als werknemers van de maten worden beschouwd voor het gebruikelijke loon.

Uitspraak

28 november 2014
nr. 13/05472
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 26 september 2013, nrs. 12/01113 en 12/01114, betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) voor de jaren 2000 en 2002 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden is op het beroep van zowel belanghebbende als de Staatssecretaris bij arrest van de Hoge Raad van 9 november 2012, nr. 11/03555, ECLI:NL:HR:2012:BW4167, BNB 2013/71, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 9 september 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
Bij het hiervoor onder 1 genoemde arrest van 9 november 2012 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
3.2.
Na deze verwijzing was tussen partijen – voor zover in cassatie van belang – in geschil of de Inspecteur terecht, en zo ja tot het juiste bedrag, het loon dat gebruikelijk is als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) heeft verhoogd.
3.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat voor de bepaling van het gebruikelijke loon in dit geval de afroommethode noch de winstreductiemethode kan worden toegepast.
3.3.2.
Het Hof heeft verder geoordeeld dat [E] B.V. (hierna: de BV), waarin belanghebbende zijn aandeel in de maatschapspraktijk heeft ingebracht, niet met de maatschap [C] (hierna: de maatschap) is verbonden in de zin van artikel 10a, lid 7, Wet LB 1964.
3.3.3.
De stelling van de Inspecteur dat de medewerkers die in dienst zijn van de maatschap tevens in dienst zijn van de BV, omdat door één of meerdere maten van de maatschap namens alle maten arbeidsovereenkomsten met die medewerkers zijn afgesloten, heeft het Hof verworpen. Weliswaar moet ervan worden uitgegaan dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomsten met de medewerkers alle leden van de maatschap aangaan, maar daaruit volgt niet dat tussen de BV en de medewerkers van de maatschap dienstbetrekkingen tot stand zijn gekomen, aldus het Hof.
3.4.1.
Het middel keert zich tegen het hiervoor onder 3.3.3 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat de BV in haar hoedanigheid van lid van de maatschap moet worden beschouwd als werkgever van de bij de maatschap werkzame medewerkers, zodat het loon van de meestverdienende werknemer van de maatschap maatgevend is voor het gebruikelijke loon van belanghebbende.
3.4.2.
Aangezien, naar in cassatie niet in geschil is, geen sprake is van enig met de BV verbonden lichaam, komt het er in dit geval op aan of bij de BV zelf andere werknemers in dienst zijn in de zin van artikel 12a, lid 1, tweede volzin, Wet LB 1964. Het geschil in cassatie spitst zich daarbij toe op de vraag of een werknemer die in dienst is van de maatschap, in dit verband tevens is aan te merken als een (andere) werknemer van de BV, die maat is in de maatschap. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Werknemers die in dienst zijn van een maatschap kunnen voor de toepassing van artikel 12a Wet LB 1964 niet tevens worden aangemerkt als werknemers van één of meer maten van die maatschap (vgl. HR 25 juni 2004, nr. 39578, ECLI:NL:HR:2004:AP4380, BNB 2004/346). Het op een andere rechtsopvatting gebaseerde middel faalt daarom.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1826,25 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Libari, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2014.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.