Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 november 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel inzake het verlenen van verlof volgens art. 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De appellant had beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking, maar had niet tijdig een klaagschrift ingediend bij de rechtbank, waardoor hij niet als klager kon worden aangemerkt. Volgens art. 445 Sv Pro staat beroep in cassatie tegen dergelijke beschikkingen alleen open voor het Openbaar Ministerie en de klager.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellant, hetgeen door de Hoge Raad werd gevolgd. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de appellant niet de vereiste hoedanigheid had om beroep in cassatie in te stellen.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 25 november 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan hoedanigheid als klager.