Conclusie
Art. 23, tweede, vijfde en zesde lid, Sv:
Art. 24, eerste, vierde en vijfde lid, Sv:
4. De beschikking wordt, tenzij anders is voorgeschreven, onverwijld toegezonden aan de verdachte en andere procesdeelnemers.
Art. 552d, eerste en tweede lid, Sv:
2. Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.
Art. 552p, tweede, derde en vierde lid, (oud) Sv:
2. De door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent. De afgifte aan buitenlandse autoriteiten van door de officier van justitie in beslag genomen stukken van overtuiging en de onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van strafvorderlijke bevoegdheden ter inbeslagneming geschiedt eveneens voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.
4. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552ca tot en met 552e is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof.”
V. Ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep
V.1 Hoedanigheid van klager
NJ2005/407, m.nt. Reijntjes afgeleid dat de Hoge Raad op dit vereiste van ‘klagerschap’ in die beschikking een uitzondering heeft aanvaard voor het geval een belanghebbende doelbewust niet op de hoogte is gesteld van de vordering tot verlof omdat de rechtshulp verzoekende Staat heeft aangedrongen op vertrouwelijkheid. [4] In deze uitspraak stelde de Hoge Raad voorop dat een naar aanleiding van een rechtshulpverzoek gegeven beschikking tot het verlenen van verlof volgens art. 552d, eerste lid, Sv in verbinding met art. 552p, vierde lid, Sv [5] onverwijld aan de belanghebbende dient te worden betekend. Volgens de Hoge Raad kan “op grond van art. 552d, tweede lid, Sv – welke bepaling krachtens art. 552p, vierde lid, Sv eveneens van overeenkomstige toepassing is – [...]
de belanghebbende[mijn cursivering, EH] binnen veertien dagen na die betekening beroep in cassatie instellen tegen de beschikking.” [6] De formulering suggereert inderdaad dat de belanghebbende niet tevens klager behoeft te zijn om in cassatie te kunnen worden ontvangen. Dat het hier om een uitzondering op de ontvankelijkheidseis gaat voor het bijzondere geval van een vertrouwelijke behandeling, kan uit de bewoordingen echter niet worden afgeleid. Toch onderschrijf ik het standpunt van Machielse en Harteveld in hun conclusies, in die zin dat aan het vereiste van ‘klagerschap’ redelijkerwijs niet (streng) kan worden vastgehouden indien en voor zover de belanghebbende van de raadkamerprocedure tot verlofverlening niet op de hoogte is gesteld. De ratio voor zo een uitzondering lijkt mij helder: een belanghebbende die buiten de procedure wordt gehouden, kan in cassatie niet worden tegengeworpen dat hij zich eerder in die procedure onvoldoende heeft laten gelden.
V.2 Tijdigheid van het cassatieberoep
Cassatieberoep niet tardief
Cassatieberoep wel te vroeg
NJ2005/407, m.nt. Reijntjes zich op het standpunt gesteld dat de soepele omgang met de ontvankelijkheid die de Hoge Raad bij een ‘te vroeg’ tegen beschikkingen ingesteld cassatieberoep in het algemeen aan de dag legt, in een zaak (als de onderhavige) over vertrouwelijke verlofbeschikkingen in rechtshulpzaken niet aangewezen is. A-G Jörg betoogde dat, aangezien in dergelijke zaken de betekening – en dus de kennisneming – van de verlofbeschikking bewust wordt uitgesteld tot het moment waarop het belang van het onderzoek zulks toestaat, de toelaatbaarheid van cassatieberoep vóór de betekening van de bestreden beschikking de cassatieprocedure tot een zinloze exercitie maakt. Dan wordt de Hoge Raad immers gedwongen zich over de beschikking reeds te buigen op een moment dat deze nog vertrouwelijk is, waardoor die vertrouwelijkheid ook de cassatieprocedure domineert. Jörg voorzag de moeilijkheden die dat met zich kan brengen, in het bijzonder wat betreft het indienen van cassatiemiddelen namens de belanghebbende. Omdat volgens Jörg niet bleek dat de bestreden beschikking in die zaak al was betekend, concludeerde hij tot niet-ontvankelijkheid. [17]
[...] indien het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door onverwijlde toezending van de verlofbeschikking, de toezending van de beschikking eerst plaatsvindt zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, en de termijn voor het instellen van beroep in cassatie
eerst aanvangtna de toezending van de beschikking aan de belanghebbende. Indien door de belanghebbende
vervolgenscassatieberoep wordt ingesteld, doet zich niet meer de situatie voor dat door de aanzegging aan de belanghebbende dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad. Er is dus geen goede grond in zo een geval af te zien van de aanzegging als bedoeld in art. 447, derde lid, Sv [mijn cursiveringen, EH].”
belanghebbendecassatieberoep wordt aangewend, de belanghebbende dat steeds doet op een moment dat aan hem de verlofbeschikking is toegezonden (of uitgereikt) omdat het onderzoek zulks inmiddels toelaat. Dáárom is er dan geen goede grond om van de aanzegging als bedoeld in art. 447, derde lid, Sv af te zien. Het
Openbaar Ministeriekan daarentegen wel onverwijld cassatie instellen tegen de weigering van het verlof; in dát geval komt de vraag op of ook het cassatieberoep van het OM geheel vertrouwelijk moet worden behandeld.
van de belanghebbendetegen een vertrouwelijke verlofbeschikking in beginsel pas ontvankelijk is indien het is ingesteld nadat de verlofbeschikking aan de belanghebbende is toegezonden of een daarmee op één lijn te stellen uitreiking/verstrekking heeft plaatsgevonden, is dus naar mijn inzicht in overeenstemming met de bewoordingen van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Die benadering sluit ook aan bij art. 445 Sv Pro, dat als hoofdregel cassatieberoep enkel toelaat tegen beschikkingen indien en voor zover de wet die bevoegdheid verleent. De regel dat vóór de betekening of toezending van een beschikking daartegen ingesteld cassatieberoep ontvankelijk wordt geacht, moet in het licht van dat uitgangspunt als een uitzondering worden beschouwd. Voor die uitzondering zie ik in een geval als het onderhavige onvoldoende grond.
VI. Vertrouwelijke procedure in cassatie
Ingevolge de hiervoor vermelde wetsbepalingen en rechtspraak alsmede art. 552p, vierde lid, in verbinding met art. 552a, zesde lid, Sv vindt de behandeling van het cassatieberoep tegen een verlofbeschikking plaats op een openbare terechtzitting en wordt de door de Hoge Raad gegeven en in het openbaar uitgesproken beschikking onverwijld toegezonden aan onder meer de belanghebbende. Het is evenwel niet de rolraadsheer maar de in de art. 21 en Pro 22 Sv bedoelde (raad)kamer die beslist over de behandeling van het cassatieberoep met gesloten deuren en het afzien van de uitspraak van de beschikking in het openbaar.
NJ2002/397, waarin het middel volgens de Hoge Raad miskent dat wat betreft de door een verdachte aan art. 6 EVRM Pro te ontlenen aanspraken een onderzoek door de raadkamer als waarvan in het kader van een vordering tot verlof ex art. 552p (inmiddels oud) Sv sprake is, niet met het eindonderzoek ter terechtzitting kan worden gelijkgesteld. Nog iets minder terughoudend was de Hoge Raad in zijn beschikking van 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4086,
NJ2006/613 op een eveneens tegen een verlofbeschikking gericht cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog toen dat art. 6 EVRM Pro in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure van art. 552a Sv aangezien in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. Daaronder bedoelde de Hoge Raad, gelet op de zaak waarom het ging, kennelijk ook de verlofprocedure te verstaan. Dat uitgangspunt komt mij (nog steeds) juist voor. [33]