Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld wegens het niet inschrijven van haar dochter op een school in strijd met de Leerplichtwet 1969.
De verdachte had verklaard dat haar dochter niet was ingeschreven, maar beroept zich op een vrijstelling omdat binnen redelijke afstand geen ongemengde school beschikbaar was. Het hof volstond met een opsomming van bewijsmiddelen en stelde dat de verdachte het bewezenverklaarde had bekend.
De Hoge Raad oordeelt dat de verklaring van verdachte niet duidelijk en ondubbelzinnig is in de zin van art. 359, derde lid, Sv, omdat zij niet erkent de verplichting te hebben gehad en zich beroept op een vrijstelling. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk en wordt het arrest vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onduidelijke bekentenis en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.