Conclusie
[De raadsman van de verdachte heeft het beroep tegengesproken.]
eerste middel van de verdachteklaagt dat het hof ten onrechte ten aanzien van de bewezenverklaring van het bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastgelegde heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
Feiten 2 en 3
In gevallen waarin een subjectief bestanddeel in de delictsomschrijving niet is opgenomen, wordt dit door de Hoge Raad doorgaans impliciet ingelezen. Hoewel er ook gevallen zijn, waarin de Hoge Raad kennelijk meent dat het stellen van nadere subjectieve vereisten de bewijslast voor het openbaar ministerie te veel verzwaart en hij het voldoende acht dat mogelijk gebrekkige bewustheid van de onrechtmatigheid van de gedraging kan worden betrokken bij een beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. [6]
tweede middel van de verdachteklaagt ten aanzien van de bewezenverklaring van het bij dagvaarding III (parketnummer 09-139377-13) tenlastegelegde dat het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk [betrokkene] pijn en/of letsel heeft toegebracht ontoereikend is gemotiveerd.
derde middel van de verdachteklaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof het door de benadeelde partij in hoger beroep ingediende “wensenformulier” heeft opgevat, in die zin dat de benadeelde partij daarop heeft bedoeld aan te geven dat zij haar vordering wil verlagen tot het in het eerste aanleg toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.
middel van het openbaar ministeriericht zich tegen de vrijspraak van het bij dagvaarding I (parketnummer 09-819243-13) tenlastegelegde.
Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat. [10]