Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Tiel,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vraag
4.Beslissing
5 december 2014.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure stelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de vraag aan de Hoge Raad wie de in artikel 384 lid 1 Rv Pro bedoelde rechter is die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld wanneer hoger beroep wordt ingesteld ondanks appelverbod met een beroep op een doorbrekingsgrond.
De zaak betreft een ontbinding van een arbeidsovereenkomst door de kantonrechter zonder toekenning van ontslagvergoeding. De eiser stelde hoger beroep in met een beroep op een doorbrekingsgrond, maar het hof verwierp dit beroep. Vervolgens vorderde eiser herroeping wegens bedrog en het achterhouden van stukken.
De Hoge Raad oordeelde dat indien het beroep op de doorbrekingsgrond faalt, het appelverbod blijft gelden en het hof niet als laatste feitelijke instantie kan worden beschouwd. De rechter in eerste aanleg blijft dan de laatste feitelijke instantie. De Hoge Raad wees de prejudiciële vraag dienovereenkomstig af en begrootte de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad beslist dat bij verworpen beroep op een doorbrekingsgrond de rechter eerste aanleg de laatste feitelijke instantie is in de zin van art. 384 Rv.