Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
5.Beslissing
9 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte deed op 19 januari 2011 aangifte van stalking tegen een bekende, waarbij zij verklaarde nooit een relatie met hem te hebben gehad en anderhalf jaar gestalkt te zijn. Het hof oordeelde dat deze aangifte vals was, omdat de verdachte in werkelijkheid wel een relatie had gehad en dit verzweeg.
De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van art. 188 Sr Pro voldoende is dat opzettelijk feiten worden meegedeeld die doen geloven dat een strafbaar feit niet heeft plaatsgevonden. Het hof miskende echter dat het verzwegen van een relatie niet uitsluit dat stalking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De zaak betreft de juiste interpretatie van valse aangifte en de grenzen daarvan bij onvolledige waarheidsgetrouwheid.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.