Belanghebbende deed op 6 juli 2011 aangifte BPM voor een personenauto en betaalde op 13 juli 2011 het vastgestelde bedrag. Na bezwaar werd vastgesteld dat een deel van de BPM onverschuldigd was betaald en dit bedrag werd terugbetaald met een proceskostenvergoeding. Het hof wees een hogere proceskostenvergoeding af en behandelde niet het verzoek om rentevergoeding over de periode dat het geld onverschuldigd bij de Inspecteur verbleef.
De Hoge Raad stelt vast dat het EU-recht vereist dat onverschuldigde belastingen met rente worden terugbetaald, waarbij de rente moet worden berekend vanaf de dag na de betaling. De nationale regeling moet voldoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. De Hoge Raad oordeelt dat de termijn in artikel 30f, lid 3, letter d, onder 2°, AWR niet voldoet en dat rente moet worden vergoed vanaf de dag na betaling van de onverschuldigde BPM.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van het hof en de rechtbank voor zover deze de heffingsrente betreffen, en gelast de Inspecteur de rentevergoeding te voldoen. Tevens worden proceskosten vergoed aan belanghebbende. De overige middelen worden verworpen.