Belanghebbende verkreeg een perceel tuinland met glasopstanden, andere opstallen en installaties. In geschil was of de cultuurgrondvrijstelling van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV van toepassing is op de glasopstanden zelf, andere opstallen en de grond onder die opstallen.
Het Hof oordeelde dat glasopstanden en andere opstallen niet onder de vrijstelling vallen, maar dat de grond onder andere opstallen wel vrijgesteld is omdat deze bedrijfsmatig voor landbouw wordt gebruikt. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat ook glasopstanden en andere opstallen onder de vrijstelling moeten vallen.
De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat de vrijstelling alleen ziet op de grond, inclusief de ondergrond van glasopstanden, maar niet op de opstallen zelf. Daarnaast vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de grond onder andere opstallen vrijgesteld kan zijn, omdat volgens vaste jurisprudentie opstallen en ondergrond in beginsel als één geheel worden beschouwd, met uitzondering van glasopstanden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.