Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,
kantoorhoudende te Groningen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De bevoegdheid van de rechter
4.Beslissing
28 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te oordelen over een verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen die sinds september 2012 in Duitsland verblijven.
De kinderrechter en het hof Arnhem-Leeuwarden hadden de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toegestaan, waarbij het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bevestigde op basis van de gewone verblijfplaats van de kinderen ten tijde van eerdere procedures. De ouders stelden dat de peildatum voor de internationale bevoegdheid het moment van indiening van het verlengingsverzoek was, waarop de kinderen reeds in Duitsland verbleven.
De Hoge Raad oordeelt dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld op het moment van indiening van het verzoek tot verlenging, conform artikel 8 lid 1 van Pro Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis). Het hof heeft ten onrechte aansluiting gezocht bij een eerdere beschikking en daarmee een onjuiste peildatum gehanteerd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling, waarbij ook moet worden onderzocht of sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Duitsland en de gevolgen daarvan voor de internationale bevoegdheid volgens artikelen 10 en 15 van Brussel II-bis.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.