ECLI:NL:HR:2014:447

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2014
Publicatiedatum
3 maart 2014
Zaaknummer
13/02216
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 lid 1 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof wegens onjuiste zittingsuitnodiging in belastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, die na bezwaar en beroep door rechtbank en hof werd gehandhaafd. Belanghebbende werd door het Hof uitgenodigd voor een zitting via een aangetekende brief, die werd terugontvangen ongeopend. Hoewel belanghebbende op het adres stond ingeschreven, verscheen hij niet bij de zitting.

Het Hof zag geen reden om het onderzoek te heropenen, omdat de uitnodiging volgens het Hof op de wettelijk voorgeschreven wijze was gedaan. De Hoge Raad constateert echter dat het Hof niet heeft voldaan aan de verplichting om na terugontvangen aangetekende brief de uitnodiging alsnog per gewone brief te verzenden, zoals voorgeschreven in artikel 8:38 lid 1 Awb Pro.

Daardoor was de zittingsuitnodiging niet op de juiste wijze gedaan, en slaagt de klacht van belanghebbende. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd, en het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitspraak

7 maart 2014
nr. 13/02216
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 19 maart 2013, nr. 12/00651, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 11/5221) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de klachten

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
De griffier van het Hof heeft belanghebbende bij aangetekend verzonden brief van 5 februari 2013 uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 5 maart 2013. De griffier van het Hof heeft deze brief op 1 maart 2013 terugontvangen met de mededeling dat de brief niet is afgehaald. Uit onderzoek van de griffier is gebleken dat belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven op het in de brief vermelde adres.
3.1.2.
Belanghebbende is ter zitting van 5 maart 2013 niet verschenen.
3.1.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat het geen aanleiding ziet het vooronderzoek te heropenen aangezien belanghebbende is uitgenodigd op de bij de wet voorgeschreven wijze.
3.2.
Uit de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding blijkt niet dat de griffier van het Hof na de terugontvangst van de aangetekende brief en de adresverificatie de uitnodiging voor de zitting bij gewone brief heeft verzonden, zoals artikel 8:38, lid 1, Awb voorschrijft. Derhalve moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dat brengt mee dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De daarop gerichte klacht van belanghebbende slaagt derhalve.
3.3.
Gelet op hetgeen in onderdeel 3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.