Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:537

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
12/05428
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik verklaring getuige en ondervragingsrecht volgens art. 6 EVRM in cassatie

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden. Het geschil betreft het gebruik van de verklaring van een getuige ([betrokkene 1]) als bewijs, terwijl de verdediging niet de mogelijkheid had om het ondervragingsrecht uit te oefenen zoals gegarandeerd door artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De verdediging stelde dat dit een schending van het recht op een behoorlijke en effectieve verdediging inhield, omdat geen adequate compensatie werd geboden om de betrouwbaarheid van de getuige te toetsen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep en het middel werd door de Hoge Raad beoordeeld aan de hand van de in de conclusie genoemde gronden.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden, omdat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. Het tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen van belang voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

Hierop heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

11 maart 2014
Strafkamer
nr. 12/05428
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 1 maart 2012, nummer 24/000315-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen en de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] te toetsen, terwijl daarvoor aan de verdediging niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, 15 en 16 kan het middel niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 maart 2014.