Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof ten aanzien van de bruikbaarheid voor het bewijs van de door de verdediging betwiste verklaringen van [betrokkene 1] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat de verdediging feitelijk niet in de gelegenheid is geweest om het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen en de betrouwbaarheid van de aangever te toetsen, terwijl aan de verdachte niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige.
tweede middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft getracht [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een bijl een slaande beweging tegen de bovenarm van [betrokkene 1] te maken blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.