5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Aangever [betrokkene 1] is de kamergenoot van de verdachte in een asielzoekerscentrum. De aangever heeft op 7 augustus 2006 en op 9 augustus 2006 bij de politie verklaringen afgelegd, terwijl de verdediging daarbij niet in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen aan deze getuige.
(ii) De rechtbank heeft de verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld en voornoemde verklaringen voor het bewijs gebruikt.Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, terwijl de raadsman van de verdachte bij appelschriftuur en vervolgens bij brief van 12 september 2008 heeft verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen.
(iii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2008 heeft het hof het verzoek van de raadsman om [betrokkene 1] als getuige te horen toegewezen en de zaak daartoe verwezen naar de rechter-commissaris. Het hof heeft het verzoek van de raadsman om vijf andere getuigen te horen eveneens toegewezen.
(iv) De rechter-commissaris heeft bij brief van 19 augustus 2009, gericht aan de raadsman van de verdachte, bericht dat het niet mogelijk is om [betrokkene 1] als getuige op te roepen, omdat uit nader onderzoek naar zijn adresgegevens in Frankrijk is gebleken dat zijn mogelijke woon- of verblijfplaats niet te achterhalen is.
(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2010 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarna het onderzoek gesloten is verklaard.
(vi) Bij tussenarrest van 25 februari 2010 heeft het hof bepaald dat het onderzoek dient te worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting en heeft het hof tevens bevolen dat nader onderzoek wordt gedaan naar de verblijfplaats van de getuige [betrokkene 1] in Nederland dan wel elders, nu het hof het noodzakelijk acht dat deze eerder niet verschenen getuige ter terechtzitting wordt gehoord.
(vii) De advocaat-generaal bij het hof heeft bij brief van 26 september 2011, gericht aan de raadsman van de verdachte, bericht dat het niet is gelukt om het adres van de getuige [betrokkene 1] te achterhalen.
(viii) Een memo van een medewerker van het ressortsparket van 15 februari 2012, gericht aan de voorzitter van het hof en de advocaat-generaal, houdt in dat van [betrokkene 1] geen adresgegevens bekend zijn in Nederland, dat hij volgens het GBA geen verblijfstitel meer heeft en dat ook in het kader van de landelijke vreemdelingenbewaring geen verblijfsgegevens van hem bekend zijn.
(ix) Een bericht van Interpol Frankrijk van 13 februari 2012 houdt in dat [betrokkene 1] bij hen onbekend is.
(x) De advocaat-generaal en de raadsman hebben op de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2012 afstand gedaan van de getuige [betrokkene 1], terwijl de verdachte heeft aangegeven dat hij graag zou zien dat wordt verder gegaan met de behandeling van zijn zaak. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het zal afzien van de hernieuwde oproeping van [betrokkene 1], aangezien het niet aannemelijk is dat hij binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Aansluitend heeft het hof de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgezet, waarna het hof de verdachte bij arrest van 1 maart 2012 wegens poging tot zware mishandeling heeft veroordeeld.