Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM Pro de veroordeling ter zake van het bewezenverklaarde feit in beslissende mate heeft gebaseerd op de verklaring van de bedreigde getuige terwijl de verdediging deze bedreigde getuige niet of onvoldoende heeft kunnen ondervragen en/of er onvoldoende compensatie is (geboden) voor het niet of onvoldoende kunnen ondervragen van die getuige, althans dat het Hof het oordeel dat de veroordeling van verzoeker niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro, meer in het bijzonder het (van het recht op een eerlijk proces deel uitmakende) ondervragingsrecht, onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
(het hof leest: 8e)oktober is overleden.
p. 187)
(het hof begrijpt: het klonk als)snel achter elkaar afgevuurde kogels.
(hof: in één van die twee gevallen)om een moord op een Marokkaanse jongen in een busje. Die van die Marokkaanse jongen was in de buurt van Eindhoven, dus daar zal u wel voor komen. U zegt mij dat dit inderdaad het geval is en vraagt mij wat ik kan verklaren.
“Verklaring NN-getuige (5.3.3)
'accordingly it is necessary to carefully examine whether there were adequate counterbalancing factors in place’(Pesukic par. 50).
'proper substitute'is voor de gelegenheid voor de verdediging de getuige te ondervragen en zich een eigen oordeel te vormen over diens gedrag en betrouwbaarheid. (Zie o.a. EHRM Papadakis d.d. 23 feb 2013 par 91; EHRM Van Mechelen d.d. 1997, par 62). Het is dan ook de vraag of het onderzoeken van de betrouwbaarheid door de RC de beperkingen van de verdediging voldoende kan compenseren en of de overweging van de rechtbank dat de niet geverbaliseerde antwoorden wel zijn gehoord door de RC en gebruikt konden worden bij diens beoordeling omtrent de betrouwbaarheid, kan dan ook kan leiden tot het oordeel dat voldoende compenserende maatregelen zijn genomen.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De verklaringen van de NN-getuige
Betrouwbaarheid van de NN-verklaringen
De verklaringen van [getuige 2]
Geen dubbeltelling
Overeenkomsten tussen de verklaringen van de getuigen NN en [getuige 2]
Conclusie ten aanzien van betrouwbaarheid van NN en [getuige 2]
De aangetroffen sigarettenpeuk
sole or decisive rule’ [4] en het toetsingskader dat de Hoge Raad ter zake hanteert.
Lüdi v. Switzerland, 15 June 1992, Series A no. 238,
Mild and Virtanen v. Finland, no. 39481/98 and 40227/98, 26 July 2005;
Bonev v. Bulgaria, no. 60018/00, 8 June 2006; and
Pello v. Estonia, no. 11423/03, 12 April 2007). This is because as a general rule witnesses should give evidence during the trial and that all reasonable efforts will be made to secure their attendance. Thus, when witnesses do not attend to give live evidence, there is a duty to enquire whether that absence is justified. There are a number of reasons why a witness may not attend trial but, in the present cases, it is only necessary to consider absence owing to death or fear.
R. v. Davis(see paragraph 50 above), and one which would require sufficient counterbalancing factors, including the existence of strong procedural safeguards. The question in each case is whether there are sufficient counterbalancing factors in place, including measures that permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence to take place. This would permit a conviction to be based on such evidence only if it is sufficiently reliable given its importance in the case.”
kandit dus betekenen dat de rechten van de verdediging worden beperkt in een mate die niet verenigbaar is met hetgeen in art. 6 EVRM Pro wordt gewaarborgd. Voorts kan uit de aangehaalde overwegingen het volgende beslissingsmodel worden afgeleid. Eerst zal de vraag moeten worden beantwoord of aan het niet ondervragen van de getuige een goede reden ten grondslag ligt. Een voorbeeld van een goede reden is de ter terechtzitting verschenen getuige die op grond van een aan hem toekomend verschoningsrecht de aan hem gestelde vragen weigert te beantwoorden dan wel de getuige die uit vrees voor repercussies anoniem wenst te blijven of om die reden weigert op vragen antwoord te geven. [8] Vervolgens dient te worden beoordeeld of om die reden de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate -
sole or decisive -is gebaseerd op een niet-ondervraagde getuige. [9] Het begrip “decisive” heeft het EHRM in het Al-Khawaja & Tahery-arrest als volgt uitgelegd:
Horncastle and otherspointed out (see paragraph 54 above), would mean that virtually all evidence would qualify. Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive.”
daadwerkelijk“solely or to a decisive extent” is gebaseerd op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, zal tot slot moeten worden bekeken of er voldoende compenserende factoren in acht zijn genomen, waaronder het bestaan van voldoende procedurele waarborgen die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van dat bewijs mogelijk maken. Met deze laatste toets lijkt het EHRM de schijnbaar eerdere rigorositeit van de ‘
sole or decisive rule’ wat te hebben genuanceerd. [10]
solely or to a decisive extentis gebaseerd op de verklaring van de betreffende getuige en voldoende steunbewijs ontbreekt. Zoals uit het hiervoor besprokene volgt is dat in de onderhavige zaak niet het geval, zodat het Hof geen inbreuk heeft gemaakt op het recht van verzoeker op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof bij de verwerping van het verzoek tot het horen van de voormalige rechter-commissaris Van Atteveld als getuige een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van deze persoon als getuige onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
2. NN-getuige
“Verklaring NN-getuige (5.3.3.)
De zittingsrechter kan slechts, als de gegeven motivering naar zijn oordeel ontoereikend is, de rechter-commissaris om een nadere motivering vragen om vervolgens die motivering te beoordelen.
“De RC merkt op dat uit zijn onderzoek er voorts inhoudelijke redenen zijn, waarom de RC van oordeel is dat de nn-getuige niet als bedreigde getuige moet worden gehoord gelet op de daaraan uit dien hoofde opgelegde beperkingen, nu dit mogelijk een schending van het beginsel van een fair trial in de strafzaak met zich mee kan brengen, gelet op de feiten en de mogelijke omstandigheden waaronder de nn-getuige in 2005 een verklaring heeft afgelegd. Dit oordeel dient uitdrukkelijk los te worden gezien van de vraag of de nn-getuige (enige) vrees kan hebben.
“De verklaringen van de NN-getuige
8 april 2005heeft de rechter-commissaris mr. l.M.E.A. van Eldonk in een onderzoek tegen een NN-verdachte onder ede de NN-getuige gehoord. Voorafgaand aan het daadwerkelijke verhoor had de getuige te kennen gegeven dat hij alleen een verklaring wilde afleggen indien hij dat anoniem kon doen en dat hij om dezelfde reden de verklaring niet wilde ondertekenen. De getuige verklaarde dat hij wist wie de moord op [slachtoffer] had gepleegd en dat, als bekend wordt dat deze informatie door de getuige is gegeven, hij had te vrezen voor zijn leven. De rechter-commissaris heeft vervolgens op grond van artikel 190, tweede lid (oud; thans derde lid), Sv geoordeeld dat er gegrond vermoeden bestond dat de getuige in verband met het afleggen van een verklaring overlast zou ondervinden en heeft daarom bepaald dat het vragen naar persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 190, eerste lid, Sv, achterwege zou worden gelaten.
23 februari 2010is de verdachte in de onderhavige zaak aangehouden en in verzekering gesteld. Ter terechtzitting van
3 juni 2010heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging tot het horen van onder anderen de NN-getuige toegewezen en de zaak daarvoor naar de rechter-commissaris verwezen.
20 oktober 2010heeft de officier van justitie een vordering ex artikel 226a Sv ingediend, ertoe strekkende dat de rechter-commissaris zal bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de NN-getuige de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden.
16 augustus 2011heeft de rechter-commissaris mr. J.M.A. van Atteveld voornoemde vordering afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.
21 september 2011heeft de raadkamer van de rechtbank het hoger beroep gegrond verklaard, de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en de rechter-commissaris verzocht een nieuwe beschikking te geven, met inachtneming van de overwegingen van de raadkamer.
11 oktober 2011heeft de rechter-commissaris mr. J.M.A. van Atteveld de vordering van de officier van justitie van 20 oktober 2010 opnieuw afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.
9 november 2011heeft de raadkamer van de rechtbank laatstgenoemd hoger beroep gegrond verklaard, de beschikking van de rechter-commissaris van 11 oktober 2011 vernietigd en aan de NN-getuige de status van bedreigde anonieme getuige toegekend overeenkomstig de vordering van de officier van justitie van 20 oktober 2010.
2 maart 2012heeft de rechter-commissaris mr. A.G.A.M. van de Ven onder ede de NN-getuige gehoord op de voet van de artikelen 226c-226f Sv.
beslissingen, dan is daarvoor ter terechtzitting geen plaats. In het arrest van 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1336, NJ 2000/108 m.nt. Schalken had het Hof onder meer overwogen: