Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en twee maanden en waarbij de tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen was gelast.
De Hoge Raad beoordeelde het middel dat klaagde over het ontbreken van een deugdelijke motivering door het Hof voor de last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen. Het Hof had verwezen naar een eerder arrest waarin dezelfde gronden waren vermeld.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof na terugwijzing terecht opnieuw had beslist over de vorderingen tot tenuitvoerlegging en dat de motivering van het Hof aldus moest worden begrepen dat deze steunde op dezelfde gronden als in het eerdere arrest. Het middel miste daarom feitelijke grondslag.
Gezien het ontbreken van een voldoende belang van de verdachte bij het cassatieberoep en op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan feitelijke grondslag.