Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
14 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die in cassatie ging tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin zijn verzoek tot toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) werd afgewezen vanwege een onbetaalde belastingschuld. De rechtbank Amsterdam had eerder ook een vonnis gewezen in deze zaak.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten en stelt vast dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad overweegt de toepasselijkheid van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en de relevante bepalingen uit de Faillissementswet (Fw), waaronder de hardheidsclausule en de goede trouw. Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.