Belanghebbende, een Belgische werknemer, had recht op toepassing van de 30%-regeling voor zijn tewerkstelling bij [B] N.V. en deels bij [C] Holding N.V. Vervolgens werd hij commissaris bij [A] B.V. en verzocht om voortzetting van de 30%-regeling voor deze nieuwe tewerkstelling. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna de rechtbank dit afwijzend oordeel bevestigde. Het hof vernietigde echter deze uitspraak en kende de regeling toe.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 9c, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 bepaalt dat de periode tussen het einde van de oude tewerkstelling en het begin van de nieuwe tewerkstelling niet langer dan drie maanden mag zijn om de regeling voort te zetten. De tussentijdse deeltijdse tewerkstelling bij [C] Holding N.V. verandert hier niets aan omdat die tewerkstelling ongewijzigd bleef en niet als beëindigd kon worden beschouwd.
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende recht had op de regeling voor zijn werkzaamheden bij [A]. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de 30%-regeling niet van toepassing is op de tewerkstelling bij [A].