ECLI:NL:HR:2006:AW4057
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Voortzetting 30%-regeling na einde dienstverband bij oprichting BV
Belanghebbende was in dienst bij A BV en kreeg de 30%-regeling toegekend voor de periode mei 2000 tot april 2010. Na beëindiging van het dienstverband op 31 december 2000 richtte hij samen met anderen B BV op, waarvoor hij vanaf 1 januari 2001 werkzaamheden verrichtte, nog voordat de BV officieel was opgericht op 1 mei 2001.
De Inspecteur trok de eerder verleende beschikking op grond van artikel 9h Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 met terugwerkende kracht in, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij het Hof. Het Hof oordeelde dat de voortzetting van de 30%-regeling mogelijk was, ook al was er een periode tussen oude en nieuwe dienstbetrekking, omdat belanghebbende al in de oprichtingsfase werkzaamheden verrichtte voor B BV.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de drie maanden termijn van artikel 9c lid 1 van het Besluit niet wordt overschreden als de werknemer binnen die periode werkzaamheden verricht voor de BV in oprichting en een arbeidsovereenkomst is gesloten.
De Hoge Raad oordeelde dat de werkzaamheden in de oprichtingsperiode gelijkgesteld moeten worden aan werkzaamheden in dienstbetrekking en dat een schriftelijke overeenkomst met de op te richten BV binnen drie maanden voldoet aan de eis. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de voortzetting van de 30%-regeling wordt bevestigd.