Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:843

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
7 april 2014
Zaaknummer
13/00913
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt verhogingen vermogensbelasting 1991-1993 wegens onvoldoende bewijs

Belanghebbende was in beroep tegen navorderingsaanslagen, verhogingen en boetebeschikkingen over de jaren 1991 tot en met 2000 in de vermogensbelasting. Na eerdere vernietiging door de Hoge Raad werd de zaak door het Gerechtshof Den Haag behandeld. De Hoge Raad beoordeelde in cassatie de uitspraak van het Hof.

De Hoge Raad constateerde dat het Hof ten onrechte het arrest van 28 juni 2013 niet goed had toegepast bij de beoordeling van de verhogingen voor 1991 tot en met 1993. Er was onvoldoende bewijs geleverd anders dan via een bewijsvermoeden, wat niet volstond. Daarom moesten deze verhogingen worden kwijtgescholden. Voor de jaren 1994 tot en met 2000 bleef het oordeel van het Hof gehandhaafd, mede omdat het tegoed van belanghebbende bij de Kredietbank Luxembourg als aanzienlijk werd aangemerkt.

De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof over de jaren 1991-1993 en sprak de kwijtschelding uit. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep, waaronder vergoeding van het griffierecht en een deel van de kosten voor rechtsbijstand. De overige middelen werden verworpen, zodat de overige boeten en verhogingen ongewijzigd bleven.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de verhogingen over 1991-1993 en spreekt kwijtschelding uit, terwijl de overige boeten en verhogingen blijven staan.

Uitspraak

11 april 2014
nr. 13/00913
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 11 januari 2013, nr. BK‑11/00890, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is bij arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011, nr. 10/05250, ECLI:NL:HR:2011:BU5681, vernietigd uitsluitend wat betreft de verhogingen voor de jaren 1991 tot en met 1998 en de opgelegde boeten voor de jaren 1999 en 2000, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
De bestreden boeten en verhogingen houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject.
3.2. ’
s Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de verhogingen ter zake van de VB over de jaren 1991 tot en met 1993 blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in onderdeel 3.8.4 van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207 (hierna: het arrest van 28 juni 2013). Middel I slaagt daarom in zoverre. Middel I faalt voor zover het betrekking heeft op de verhogingen en boeten ter zake van de VB over de jaren 1994 tot en met 2000 op grond van hetgeen is overwogen in de onderdelen 3.5, 3.6, 3.7.1 en 3.8.4 van het arrest van 28 juni 2013. Daarbij verdient opmerking dat belanghebbendes tegoed bij de Kredietbank Luxembourg op 31 januari 1994 meer dan ƒ 100.000 bedroeg en derhalve is aan te merken als aanzienlijk, zoals bedoeld in onderdeel 3.5.1 van het arrest van 28 juni 2013.
3.3.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4.
Gelet op het hiervoor in onderdeel 3.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de Inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit met betrekking tot de verhogingen ter zake van de VB over de jaren 1991 tot en met 1993 op andere wijze dan door middel van een bewijsvermoeden heeft geleverd, zoals bedoeld in onderdeel 3.8.5 van het arrest van 28 juni 2013. Deze verhogingen dienen daarom volledig te worden kwijtgescholden.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 13/00913, 13/00915, 13/00916 en 13/00917 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat betreft de verhogingen ter zake van de VB over de jaren 1991 tot en met 1993,
vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur,
scheldt die verhogingen kwijt,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vierde van € 2922, derhalve € 730,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.