Belanghebbende was in beroep tegen navorderingsaanslagen, verhogingen en boetebeschikkingen over de jaren 1991 tot en met 2000 in de vermogensbelasting. Na eerdere vernietiging door de Hoge Raad werd de zaak door het Gerechtshof Den Haag behandeld. De Hoge Raad beoordeelde in cassatie de uitspraak van het Hof.
De Hoge Raad constateerde dat het Hof ten onrechte het arrest van 28 juni 2013 niet goed had toegepast bij de beoordeling van de verhogingen voor 1991 tot en met 1993. Er was onvoldoende bewijs geleverd anders dan via een bewijsvermoeden, wat niet volstond. Daarom moesten deze verhogingen worden kwijtgescholden. Voor de jaren 1994 tot en met 2000 bleef het oordeel van het Hof gehandhaafd, mede omdat het tegoed van belanghebbende bij de Kredietbank Luxembourg als aanzienlijk werd aangemerkt.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof over de jaren 1991-1993 en sprak de kwijtschelding uit. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep, waaronder vergoeding van het griffierecht en een deel van de kosten voor rechtsbijstand. De overige middelen werden verworpen, zodat de overige boeten en verhogingen ongewijzigd bleven.