Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, waarin een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, was opgelegd.
De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden. Het derde middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het Hof waren ingezonden.
Gelet op deze overschrijding werd de straf verminderd van achttien maanden naar zeventien maanden en drie weken, waarbij de voorwaardelijke straf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren gehandhaafd bleef.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 8 april 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien maanden naar zeventien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.