Conclusie
Nummer19/02620
[...]met de rompnaam
[F]op naam van [E] uit [plaats] ( [D] ).
[a-straat 1]
[plaats]
Standpunt van de verdediging
Verklaring [medeverdachte 8]
zonder enige dossierkennisof contact met de buitenwereld:
Die wilde wij gebruiken voor offshore. Ik kwam te weten dat een offshore schip echter niet ouder mocht zijn dan 25 jaar en toen wilde ik van het koopcontract af. Ik had al een voorlopig koopcontract getekend maar dan moest ik 10% boete betalen. Ik wilde een offshore schip aankopen om extra inkomsten te genereren. Vanwege fiscale redenen (herinvesteringsreserve van volgens mij 2 ton) wilde wij een ander schip kopen voor de uitbreiding van het bedrijf."
bijlage 1).
bijlage 4).
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bestaat uit drie deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het kennelijke oordeel van het hof dat de belastende verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs kan worden gebruikt zonder deze in hoger beroep te horen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed. In de toelichting op het middel wordt aangegeven dat de rechtbank de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde heeft vrijgesproken. In een dergelijke zaak zou de ‘verantwoordelijkheid voor naleving van de eisen van een eerlijk proces (…) niet in de schoenen (kunnen) worden geschoven van de verdediging’. De rechtsregels die Uw Raad in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 heeft geformuleerd zouden in strijd zijn met ‘bestendige en duidelijke’ jurisprudentie van het EHRM. Daarbij wijzen de steller van het middel op enkele uitspraken van het EHRM.
NJ2019/239 m.nt. Kooijmans als volgt overwogen: [1]
the right to challenge and question witnesses’. Inzake de rol van de advocaat overweegt het EHRM dat ‘
although court-appointed counsel was present at the hearing to represent the applicant, it is unclear when she was appointed and to what extent she actually defended the applicant’s rights. If it is correct, as indicated by the Government, that no request to hear S. or his mother was made to the District Court by the applicant, then this would indicate a lack of diligence on the part of counsel and, in the Court’s view, also on the part of the judge, who should have ensured that the principle of equality of arms was respected during the proceedings’ (rov. 214). Op dergelijk tekortschieten van de raadsman beroepen de stellers van het middel zich niet. Dat verbaast ook niet; de in de toelichting op het middel weergegeven randnummers van de pleitnotities maken duidelijk dat de raadsman ‘
actually defended’ de verdachte. Het EHRM spreekt voorts over ‘
the applicant’s inability to cross-examine S. and his mother at any stage of the proceedings’ (rov. 215). [betrokkene 2] heeft op 11 november 2015 bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd; daarbij was blijkens het opgemaakte proces-verbaal onder meer aanwezig ‘de raadsvrouw van verdachte [verdachte] , mr. B. Kochheim-Bossink’ Uit het proces-verbaal blijkt dat mr. Kochheim-Bossink vragen heeft gesteld aan de getuige en dat deze zijn beantwoord. [2]
had read out V.G.’s statement despite having no information as to the reasons for his latest failure to appear before the trial court’ (rov. 14). De drie getuigen verschenen niet bij de nieuwe berechting, door een andere rechter. Deze veroordeelde de verdachte wederom en ‘
cited essentially the same evidence as had been cited in the first trial judgment’ (rov. 25). De verdachte stelde hoger beroep in, waarbij hij er onder meer over klaagde dat de drie getuigen niet ter terechtzitting waren ondervraagd in het kader van de nieuwe berechting, maar de veroordeling bleef in stand, nadien ook in cassatie. Ook deze zaak wijkt sterk af van de onderhavige. Zo staat niet ter discussie dat de verdachte op het verhoor ter terechtzitting van de getuigen heeft aangedrongen. De zaak is vooral van belang in verband met de bespreking door het EHRM van het ‘
principle of immediacy’ (rov. 47-50). De stellers van het middel beroepen zich ook slechts op deze zaak voor zover daarin het uitgangspunt naar voren komt ‘dat de getuige ter terechtzitting ten overstaan van de rechter die uiteindelijk over de zaak beslist moet worden gehoord’.
the witness statements were incoherent and that some were contradictory’ (rov. 9-11). Het OM ging in hoger beroep en het gerechtshof ‘
assessed the evidence differently, based on the material in the case file, and found that the applicant’s guilt was established’ (rov. 15). Bij het EHRM wordt geklaagd dat het gerechtshof de verdachte heeft veroordeeld ‘
only on the basis of the case file without examining any witnesses at its hearing’ (rov. 25). Het EHRM overweegt vervolgens onder meer:
NJ2019/116 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen:
tweedemiddel klaagt over de strafmotivering. Door te suggereren dat de verdachte, ondanks de onherroepelijke vrijspraak (van, zo begrijp ik, het onder 1 tenlastegelegde), zich schuldig lijkt te hebben aan feiten waarvan zij is vrijgesproken, zou het hof het arrest, althans de strafoplegging, onvoldoende met redenen hebben omkleed.
Slotsom
voicing of suspicions of guilt’ richting de verdachte geen sprake. [11]
derdemiddel klaagt over schending van de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn.