Uitspraak
,nummer RK 11/1256
,op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarbij een klaagschrift van de belanghebbende werd gegrond verklaard, gericht op opheffing van beslag op diverse voorwerpen waaronder een Audi, horloges en geldbedragen. De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer verlangde, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat illegale gelden waren gebruikt voor de aanschaf van de voorwerpen.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank het juiste toetsingskader hanteerde, maar de maatstaf niet correct toepaste. De rechtbank liep vooruit op de mogelijke uitkomst van de hoofdzaak door te oordelen dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring van voorwerpen die aan een ander dan de veroordeelde toebehoren. De motivering van de rechtbank was ontoereikend omdat zij niet heeft beoordeeld of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later de verbeurdverklaring zal bevelen.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de gegrondverklaring van het klaagschrift met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, waaronder de Audi, horloges en geldbedragen, en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor herbehandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van het beslag op en de teruggave van voorwerpen.