ECLI:NL:PHR:2019:1033
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voortduren beslag wegens verdenking witwassen en deelname criminele organisatie
In deze zaak stond het beklag van een Amerikaans factoringsbedrijf centraal tegen het beslag op een vordering van bijna 22 miljoen USD op een Engels telecombedrijf. Het beslag werd gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een omvangrijke witwas- en btw-carrouselfraude met fake telefoonverkeer.
De rechtbank Amsterdam had het beklag van de klaagster ongegrond verklaard omdat niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de verbeurdverklaring van de vordering zou uitspreken. De verdenking richtte zich niet alleen op het telecombedrijf maar ook op de klaagster zelf, die zou hebben deelgenomen aan de witwaspraktijken en een criminele organisatie.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast en dat het summiere karakter van de beklagprocedure niet betekent dat feitelijke beoordeling achterwege moet blijven. De rechtbank had voldoende gemotiveerd dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond en dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd was.
Het cassatieberoep faalde omdat de rechtbank niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. De Hoge Raad benadrukte dat de beklagrechter niet vooruit mag lopen op het oordeel van de strafrechter, maar wel moet toetsen of het redelijk vermoeden van schuld volstrekt uit de lucht is.
De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatieberoep verworpen moet worden, waarmee het beslag op de vordering blijft bestaan zolang het strafrechtelijk onderzoek loopt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de vordering blijft gehandhaafd.