ECLI:NL:HR:2014:898

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
13/02589
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:403 BWArt. 3:278 BWArt. 3:288 BWArt. 6:142 BWArt. 122 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen voorrecht verbonden aan aansprakelijkheidsverklaring moedermaatschappij voor schulden dochtermaatschappij

In deze zaak stond centraal of een werknemer die een bevoorrechte vordering heeft op haar failliete werkgever (dochtermaatschappij), ook een bevoorrechte vordering kan doen gelden op de moedermaatschappij die zich op grond van art. 2:403 lid 1 onder Pro f BW hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden van de dochter.

De werknemer had een bevoorrechte vordering op de failliete dochtermaatschappij Evelop B.V. en diende deze vordering ook in bij het faillissement van de moedermaatschappij Econcern N.V., die een 403-verklaring had afgelegd. De curatoren erkenden de vordering, maar niet het voorrecht. De rechtbank oordeelde dat het voorrecht van art. 3:288 BW Pro alleen geldt jegens de werkgever zelf en niet jegens de moedermaatschappij, en dat art. 2:403 BW Pro geen voorrecht aan de aansprakelijkheidsverklaring verbindt.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog dat voorrechten alleen uit de wet kunnen voortvloeien en dat het accessoire karakter van de aansprakelijkheidsverklaring niet leidt tot een nevenrecht dat voorrecht kan verkrijgen. Ook een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW Pro leidt niet tot het toekennen van een voorrecht aan de vordering op de moedermaatschappij. De vordering op de moedermaatschappij is daarmee niet bevoorrecht, ook al is de vordering op de dochtermaatschappij dat wel.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring geen voorrecht toekomt.

Uitspraak

11 april 2014
Eerste Kamer
nr. 13/02589
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering,
t e g e n
1. mr. A.A.M. DETERINK,
wonende te Eindhoven,
2. mr. W.J.M. VAN ANDEL,
wonende te Utrecht,
beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Econcern N.V.,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de curatoren.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 318948/HA ZA 12-131 van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2013.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld (partijen zijn sprongcassatie overeengekomen). De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de curatoren is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 28 februari 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern) op de voet van art. 2:403 lid Pro 1, aanhef en onder f, BW een verklaring gedeponeerd (hierna: de 403-verklaring), inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij Evelop B.V. (hierna: Evelop).
(ii) Evelop is op 15 juni 2009 failliet verklaard. [eiseres] was in dienst bij Evelop en heeft uit dien hoofde een vordering op Evelop van € 2.674,20. Deze vordering op Evelop is bevoorrecht op de voet van art. 3:288, aanhef en onder e, BW.
(iii) Econcern is op 18 september 2009 failliet verklaard.
(iv) [eiseres] heeft haar vordering ingediend in het faillissement van Econcern. De curatoren hebben de vordering van [eiseres] voorlopig erkend, met uitzondering van het ingeroepen voorrecht.
(v) Op de verificatievergadering is het geschil tussen partijen op de voet van art. 122 Fw Pro verwezen naar de rechtbank.
3.2.1
In deze renvooiprocedure vordert [eiseres] erkenning van haar vordering in het faillissement van Econcern, met inbegrip van het door haar ingeroepen voorrecht.
3.2.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet bevoorrecht is. Daartoe heeft zij overwogen dat volgens art. 3:278 BW Pro voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288, aanhef en onder e, BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt in dit verband niet als werkgever. Art. 2:403 BW Pro verbindt geen voorrecht aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering. Voor een dergelijk voorrecht bestaat evenmin een andere wettelijke grond. De strekking van art. 2:403 BW Pro kan niet tot een andere uitkomst leiden. Tevergeefs is ook het beroep van [eiseres] op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG) (hierna: de Richtlijn). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW Pro leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere uitkomst.
3.3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen voorrecht verbonden is aan de vordering van [eiseres] op Econcern. Het middel bevat drie onderdelen, waarvan het eerste de klacht behelst dat de rechtbank het accessoire en subsidiaire karakter heeft miskend van de aanspraak die voortvloeit uit de 403-verklaring. Uit dit karakter volgt volgens het onderdeel dat het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW ook is verbonden aan de vordering op de moedermaatschappij die deze verklaring heeft afgelegd. Het onderdeel voert daartoe aan dat de uit de verklaring voortvloeiende aanspraak heeft te gelden als een (aan de vordering op de dochtermaatschappij verbonden) nevenrecht als bedoeld in art. 6:142 BW Pro.
3.3.2
Het onderdeel is ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW Pro). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu art. 2:403 BW Pro, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet bevoorrecht is. Daaraan doet niet af het door [eiseres] gestelde accessoire en subsidiaire karakter van de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering, noch haar stelling dat het zou gaan om een nevenrecht, wat van deze stellingen ook zij. Het door [eiseres] gedane beroep op art. 6:142 BW Pro kan reeds geen doel treffen omdat door het afleggen van de aansprakelijkheidsverklaring geen sprake is van overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser.
3.4.1
Het derde onderdeel betoogt – onder verwijzing naar de Richtlijn – dat de rechtbank heeft miskend dat een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 lid Pro 1, aanhef en onder f, BW meebrengt dat de aansprakelijkheidsverklaring van de moedermaatschappij “het gehele pakket van verplichtingen” van de dochtermaatschappij omvat, en dat daaronder ook moeten worden begrepen de aan die verplichtingen verbonden voorrechten. Het onderdeel doet hiertoe een beroep op de Engelse tekst van art. 57 lid Pro 1, aanhef en onder c, van de Richtlijn, waarin wordt gesproken van “the commitments entered into by the dependent company”. Kennelijk strekt het onderdeel ertoe te betogen dat de uit de aansprakelijkheidsverklaring voortvloeiende vordering op de moedermaatschappij, op grond van een richtlijnconforme uitleg van art. 2:403 lid Pro 1, aanhef en onder f, BW, op dezelfde wijze bevoorrecht is als de vordering op de dochtermaatschappij.
3.4.2
Dit betoog kan niet worden aanvaard. Ingevolge de Richtlijn behoeven de lidstaten een aantal voorschriften daarvan niet toe te passen op tot een groep behorende vennootschappen, onder meer indien de beheersende vennootschap zich heeft garant verklaard voor de “door de afhankelijke vennootschap aangegane verplichtingen” (“the commitments entered into by the dependent company”). Het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW is echter niet een door de werkgever bij rechtshandeling aangegane verplichting, maar een voorrecht dat de wet verbindt aan bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende vorderingen van een werknemer op zijn werkgever. Tekst noch strekking van de Richtlijn brengt mee dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring eenzelfde voorrecht verbonden moet zijn. Uit de (considerans van de) Richtlijn blijkt niet van een verdergaand oogmerk dan dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenissen van de dochtermaatschappij. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat een richtlijnconforme interpretatie niet meebrengt dat vorderingen die voortvloeien uit de 403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn. Het onderdeel faalt derhalve.
3.5
De in het tweede onderdeel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
11 april 2014.