Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoekster die in cassatie ging tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) werd afgewezen. De rechtbank Midden-Nederland had eerder ook het verzoek afgewezen. De Hoge Raad verwijst naar deze eerdere uitspraken en bevestigt het oordeel van het hof.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet, die eisen stelt aan de goede trouw en de saneringsgezinde houding van de schuldenaar. Tevens is de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro aan de orde. De verzoekster stelde dat het hof deze bepalingen onjuist had toegepast.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep wordt gevolgd. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.