Conclusie
hard and fast rulegeldt dat de regeling (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. Volgens mij bestaat die algemene regel niet. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om de sanctie van beëindiging al dan niet toe te passen. Verder acht ik het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. Ik concludeer dan ook tot verwerping.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1wordt het volgende aangevoerd. De Wet schuldsanering natuurlijke personen (“WSNP”) is per 1 januari 2008 herzien. De wetgever beoogde strenger op te treden bij de toegang tot de schuldsaneringsregeling. Om de rechter te ontlasten, bestond behoefte aan
hard and fast rules [6] . Sindsdien gelden strenge en imperatieve afwijzingsgronden. In het verlengde hiervan is de tekst van art. 350 lid 3 Fw Pro over de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling aangepast. De beoordelingsruimte van de rechter is hierdoor beperkt. De bewindvoerder verwijst naar aantekening 1 bij art. 350 Fw Pro in T&C Insolventierecht. Het plegen van misdrijven tijdens de schuldsanering wordt algemeen beschouwd als het niet nakomen van verplichtingen in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw Pro [7] . In onze zaak is sprake van toerekenbaar tekortschieten, bestaande uit een (vermogens)misdrijf dat heeft geleid tot detentie en het ontstaan van een nieuwe huurschuld. Dan geldt als
hard and fast ruledat de schuldsaneringsregeling (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. De door het hof genoemde gronden zijn onvoldoende voor het maken van een uitzondering, aldus het subonderdeel.
kanbeëindigen. Daarin ligt een discretionaire bevoegdheid besloten [13] . (2) In de parlementaire stukken wordt op de (tekstuele) wijziging van art. 350 lid 3 Fw Pro in het geheel niet ingegaan [14] , hetgeen erop wijst dat geen inhoudelijke verandering is beoogd. (3) Bij de herziening van de WSNP is een nieuw art. 349a Fw toegevoegd. Op grond van lid 3 van dit artikel kan de rechter in het kader van art. 350 Fw Pro de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen [15] . Het bestaan van die bevoegdheid duidt erop dat de rechter niet verplicht is om de schuldsaneringsregeling te beëindigen als zich één van de in art. 350 lid 3 Fw Pro genoemde beëindigingsgronden voordoet [16] .
Kamerstukken II 2004/05, 29942, 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29942-3.html), p. 33 e.v.) en overige parlementaire stukken wordt op deze wijziging niet ingegaan. Uit het later toegevoegde art. 349a lid 3, waarbij de rechtbank in het kader van een tussentijdse beëindigingszitting de bevoegdheid tot wijziging van de looptijd is toegekend, kan worden afgeleid dat de rechter een beoordelingsvrijheid heeft.”
kan beëindigen’) en uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat op dit punt een aanpassing is beoogd, nu een toelichting op de gewijzigde bewoordingen ontbreekt. Aan te nemen is derhalve dat ook indien zich een van de beëindigingsgronden voordoet, de rechter onder omstandigheden kan oordelen dat er onvoldoende aanleiding is om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.”
hard and fast rulezie ik vanuit dat perspectief geen noodzaak.
subonderdeel 1.2 onder astelt de bewindvoerder dat het plegen van een misdrijf in de regel leidt tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Met het oog op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid moet dan worden gemotiveerd waarom verlenging in plaats van beëindiging geïndiceerd is. De overwegingen van het hof zouden hiervoor ontoereikend zijn.
subonderdeel 1.2 onder bvalt niet in te zien welke betekenis toekomt aan de door het hof genoemde algemene regel dat bij tussentijdse beëindiging gedurende tien jaar geen beroep meer kan worden gedaan op de schuldsaneringsregeling. Kennelijk heeft het hof deze – uit art. 288 lid 2 sub d Fw Pro volgende – regel betrokken bij de vraag of tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling in dit geval een passende sanctie is. Dat stond het hof vrij. Dit geldt ook in het licht van de door de bewindvoerder aangehaalde bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling een “draaideur” wordt “waardoor naar believen in- en uitgelopen kan worden” [19] . Dat risico is hier niet aan de orde; het hof geeft [verweerder] juist een (laatste) kans om in de schuldsanering te blijven.
moetenstaan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling.
subonderdeel 1.2 onder evalt niet in te zien waarom van belang is dat in oktober 2018 het beschermingsbewind is uitgesproken en dat binnenkort een psychiatrisch behandeltraject aanvangt. In deze zaak is namelijk niet aannemelijk geworden dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn. Verder heeft het beschermingsbewind niet verhinderd dat [verweerder] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, zo betoogt de bewindvoerder.