ECLI:NL:HR:2015:1114

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2015
Publicatiedatum
23 april 2015
Zaaknummer
11/03038
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 WftArt. 3 lid 1 Richtlijn 2003/71/EGArt. 1 lid 2 punt h Richtlijn 2003/71/EGArt. 53 lid 2 Vrijstellingsregeling WftArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen prospectusplicht bij executoriale verkoop van effecten

In deze zaak stond de vraag centraal of de prospectusplicht uit art. 5:2 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing is op executoriale verkoop van effecten. De Hoge Raad verwees naar eerdere tussenbeschikking en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van de Prospectusrichtlijn.

Het HvJEU oordeelde dat de verplichting tot het publiceren van een prospectus niet geldt voor executoriale verkoop van effecten zoals in deze zaak. De Hoge Raad volgde deze uitleg en concludeerde dat art. 5:2 Wft Pro, als implementatie van de Prospectusrichtlijn, geen prospectusplicht oplegt bij executoriale verkoop.

De rechtbank had het standpunt van de verweerders dat de prospectusplicht niet van toepassing is aanvaard, terwijl het hof dit in het midden liet maar de verkoop onder een vrijstelling plaatste. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Almer Beheer c.s. en veroordeelde hen in de kosten van het geding.

Deze uitspraak bevestigt de rechtszekerheid omtrent de toepassing van de prospectusplicht en verduidelijkt dat executoriale verkopen van effecten buiten deze verplichting vallen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de prospectusplicht niet geldt bij executoriale verkoop van effecten.

Uitspraak

24 april 2015
Eerste Kamer
11/03038
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. ALMER BEHEER B.V.,
gevestigd te Oosterhout,
2. DAEDALUS HOLDING B.V.,
gevestigd te Oosterhout,
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,
t e g e n
1. [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats], België,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Almer Beheer c.s. en [verweerders]

1.Het verdere verloop van het geding in cassatie

Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenbeschikking van 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7006, NJ 2012/549 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 17 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2226.
Het geding in cassatie is op verzoek van [verweerders] hervat. Partijen hebben afgezien van het geven van een nadere schriftelijke toelichting.
De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Verdere beoordeling van het middel

2.1.1
De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, naar rov. 3.1.2 van zijn hiervoor in 1 genoemde tussenbeschikking van 28 september 2012.
2.1.2
In de zojuist genoemde tussenbeschikking is overwogen dat het in dit geding, kort gezegd, gaat om de vraag of in het kader van een executoriale verkoop van effecten de in art. 5:2 Wet Pro op het financieel toezicht (hierna: Wft) omschreven prospectusplicht van toepassing is (rov. 3.1.1). Art. 5:2 Wft Pro vormt de implementatie van art. 3 lid 1 van Pro Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten, Pb L 345/64 (hierna: de Prospectusrichtlijn).
De Hoge Raad heeft over art. 3 lid 1 en Pro art. 1 lid Pro 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU:
“1. Dient art. 3 lid 1 van Pro de Prospectusrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat de daarin opgenomen prospectusplicht in beginsel (dat wil zeggen afgezien van de in de richtlijn opgenomen vrijstellingen en uitzonderingen voor bepaalde gevallen) ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten?
2. (a) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient dan het begrip “de totale tegenwaarde van de aanbieding” als bedoeld in art. 1 lid Pro 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat bij een executoriale verkoop van effecten uitgegaan moet worden van de, met inachtneming van het bijzondere karakter van een executieverkoop, redelijkerwijs te verwachten opbrengst, ook indien de redelijkerwijs te verwachten opbrengst aanzienlijk onder de waarde in het economisch verkeer ligt?
(b) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, maar het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, hoe moet dan “de totale tegenwaarde van de aanbieding” als bedoeld in art. 1 lid Pro 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn uitgelegd worden, in het bijzonder bij een executoriale verkoop van effecten?”
2.2
Het HvJEU heeft naar aanleiding van de eerste vraag voor recht verklaard:
“Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om een prospectus te publiceren voordat effecten aan het publiek worden aangeboden niet van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.”
Ten aanzien van de tweede vraag (vragen 2(a) en 2(b)) heeft het HvJEU vastgesteld dat deze vraag, gelet op het antwoord op de eerste vraag, niet beantwoord hoeft te worden.
2.3.1
De beantwoording door het HvJEU van de eerste door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag brengt mee dat art. 5:2 Wft Pro, dat immers de implementatie vormt van art. 3 lid 1 van Pro de Prospectusrichtlijn en daarom op overeenkomstige wijze dient te worden uitgelegd, geen verplichting inhoudt om ten behoeve van de in dit geding aan de orde zijnde executoriale verkoop van effecten een prospectus te publiceren.
2.3.2
In dit geding hebben [verweerders] primair betoogd dat de prospectusplicht van de Wft niet van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten. De rechtbank heeft dat standpunt aanvaard. Het hof heeft de juistheid van dat standpunt in het midden gelaten, maar wel – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van [verweerders] – geoordeeld dat de onderhavige executoriale verkoop in ieder geval onder de vrijstelling als bedoeld in art. 53 lid 2 Vrijstellingsregeling Pro Wft valt. Onderdeel 1, dat is gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de vrijstelling van de prospectusplicht, kan, gelet op het hiervoor in 2.3.1 overwogene, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
2.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Almer Beheer c.s. in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 781,34 aan verschotten en € 4.000,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T . Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 april 2015.