Uitspraak
gevestigd te Oosterhout,
gevestigd te Oosterhout,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats], België,
1.Het verdere verloop van het geding in cassatie
2.Verdere beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de prospectusplicht uit art. 5:2 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing is op executoriale verkoop van effecten. De Hoge Raad verwees naar eerdere tussenbeschikking en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van de Prospectusrichtlijn.
Het HvJEU oordeelde dat de verplichting tot het publiceren van een prospectus niet geldt voor executoriale verkoop van effecten zoals in deze zaak. De Hoge Raad volgde deze uitleg en concludeerde dat art. 5:2 Wft Pro, als implementatie van de Prospectusrichtlijn, geen prospectusplicht oplegt bij executoriale verkoop.
De rechtbank had het standpunt van de verweerders dat de prospectusplicht niet van toepassing is aanvaard, terwijl het hof dit in het midden liet maar de verkoop onder een vrijstelling plaatste. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Almer Beheer c.s. en veroordeelde hen in de kosten van het geding.
Deze uitspraak bevestigt de rechtszekerheid omtrent de toepassing van de prospectusplicht en verduidelijkt dat executoriale verkopen van effecten buiten deze verplichting vallen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de prospectusplicht niet geldt bij executoriale verkoop van effecten.