ECLI:NL:HR:2015:1465

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2015
Publicatiedatum
3 juni 2015
Zaaknummer
13/04979
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14b Wet IB 1964Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2000

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem werd behandeld. Het geschil betrof een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

De Hoge Raad behandelde de klachten van belanghebbende, waarbij één klacht faalde op grond van een eerder arrest in een gerelateerde zaak (nr. 13/05027). De overige klachten werden niet inhoudelijk gemotiveerd omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en bevestigde daarmee de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president Overgaauw en raadsheren Van Vliet, Lourens, Bavinck en Van Loon, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Cichowski, op 5 juni 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

5 juni 2015
nr. 13/04979
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X3]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 12 september 2013, nr. 10/00278, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/8654) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 oktober 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
De in onderdeel 3 van het beroepschrift in cassatie aangevoerde klacht faalt op de gronden vermeld in het heden in de zaak met nummer 13/05027 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.